terug naar alfabetisch overzicht
Remi De Ridder, 1843-1930

Remi De Ridder groeide op in Wortegem bij Oudenaarde. Zijn vader was er burgemeester en had fortuin gemaakt als bankier. Hij stuurde zijn zoon achtereenvolgens naar de lokale gemeenteschool, het Jezuïetencollege te Doornik, het Gentse atheneum en de Gentse universiteit. Remi behaalde er in 1864 een doctoraat in de rechten en schreef zich in aan de balie. Na vijf jaar verhuisde hij naar Oudenaarde waar hij benoemd was tot substituut van de procureur des Konings. In 1878 werd hij hoogleraar aan de universiteit en vestigde zich definitief in Gent.

Remi De Ridder

In de jaren 1860 maakte Remi De Ridder via zijn vader kennis met Charles de Kerchove, wiens strijd voor de Westerbegraafplaats grote indruk op hem maakte. Zijn toekomstige schoonvader, Alexis Dumont, een vooraanstaand geneesheer en liberaal politicus, bracht hem intussen in contact met Gustave Callier, waardoor hij in de ban raakte van de sociale ideeën van de Société Huet. Van François Laurent nam hij de visie op het onderwijs en een rabiaat antiklerikalisme over.

Bij de politieke generatiewissel van 1882 sloot hij zich aan bij de ploeg van Hippolyte Lippens en hij werd een boegbeeld van de sociaal progressieve fractie binnen de partij. Hij pleitte samen met Auguste Wagener voor de invoering van schoolplicht en was in 1884 een stichtend lid van de Société Callier. Samen met Albert Callier en Louis Varlez, die in 1896 met zijn dochter Marthe huwde, was hij in 1891 de motor achter een van de eerste Gentse liberale denktanks, de Liberale Kring ter beoefening der maatschappelijke wetenschappen en werken.

De Ridder werd gemeenteraadslid in 1887 en combineerde dit vanaf 1898 met een zitje in de provincieraad. In 1889 volgde hij Felix Dauge op als schepen van Onderwijs. Hij kreeg hierbij niet enkel af te rekenen met een katholieke regering die het officieel onderwijs vijandig gezind was, maar ook met politieke verschuivingen binnen de gemeenteraad. Als gevolg van de invoering van het algemeen meervoudig stemrecht verloren de liberalen in 1896 immers voor het eerst in veertig jaar ook hun meerderheid in de gemeenteraad. Het liberale minderheidscollege moest op onderwijsvlak laveren tussen de eisen van de socialisten - meer inspraak - en van de katholieken - meer centen voor initiatieven van het vrij onderwijs. De begrotingsbesprekingen werden steeds moeilijker en ten gevolge van de beruchte 'schoolsoepaffaire' (zie Emile Braun) in 1908, trad het schepencollege van Emile Braun collectief af. Remi De Ridder nam afscheid van zijn schepenambt. Onder het bestuur van De Ridder kwamen er elf kosteloze lagere scholen bij en de onderwijsbegroting steeg met dertig procent. De eerste school voor buitengewoon onderwijs werd opgericht en voor het eerst werden er socio-culturele activiteiten buiten de schooluren en schoolkolonies georganiseerd. De strijd voor een betere volksgezondheid werd opgevoerd via onder meer de zogenaamde 'School voor Zeerhoofdigen' van Leopold Cruyl, de invoering van tandartsconsulten bij het medisch schooltoezicht en de samenwerking met het Werk der Gezonde Lucht van de progressist Constant Heynderyckx. Vakscholen zoals de Carelsschool voor metaalbewerking, de School van het Boek voor leerling-boekbinders en de Huishoudkundige Beroepsschool verrijkten het stedelijk onderwijsaanbod.

Deze vele inspanningen ten spijt, verloor het stedelijk onderwijs in die periode niet minder dan een vijfde van zijn leerlingen. Nieuwe initiatieven zoals de succesrijke taallessen voor adulten die Jan Wannijn vanaf 1894 aanbood via zijn befaamde English Club werden met de vinger gewezen maar de hoofdverantwoordelijke voor de afkalving was uiteraard het vrij onderwijs. Dit had in de schoolstrijd van de jaren 1880 een tegenoffensief gelanceerd en plukte daar onder De Ridder volop de vruchten van. Nieuwe private initiatieven ter ondersteuning van het stedelijk onderwijs, zoals het Werk der Schoolmaaltijden (1905) en de Liberale Schoolpenning (1907) konden het tij niet echt keren.

In 1911 verliet De Ridder de gemeenteraad en een jaar later gaf hij ook zijn zetel in de provincieraad op. Hij bleef nog actief binnen de Liberale Associatie, waar hij intussen verkozen was tot voorzitter van het middencomiteit. In 1913 vertegenwoordigde hij samen met Albert Mechelynck de Gentse associatie in het eerste - zij het nog embryonale - bestendig bestuur van de nationale liberale partij. De Eerste Wereldoorlog maakte een definitief einde aan zijn publieke loopbaan. In juni 1921 werd hij gehuldigd door de partij en werd een stedelijke technische avondschool waarin het boekbinden werd aangeleerd en die in 1903 door De Ridder was opgericht, naar hem genoemd. Hij overleed tien jaar later en werd bijgezet in de familiekelder op de Westerbegraafplaats.


Fragment uit: Bart D'hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent. Een uitgave van Snoeck en Liberaal Archief, 2014, 288 p. (€ 35)

boek Van Andriesschool tot Zondernaamstraat