terug naar alfabetisch overzicht
Jean-Pierre Rosseel, 1766-1843 en Pierre-Jean Rosseel, 1796-1868

In de geconfisqueerde kloostergebouwen van de Nonnenbosche in de Lange Violettestraat stichtte Jean-Pierre Rosseel zijn eerste katoenfabriek. Met de steun van Lieven Bauwens mechaniseerde hij zijn bedrijf en toen koning Willem I in 1817 naar Gent kwam, stond een bezoek aan Rosseel & co op het programma. De plechtige ontvangst werd door Pierre Van Huffel vereeuwigd in een schilderij, dat bewaard wordt in het STAM. In 1820 brandde - in duistere omstandigheden waarbij verzekeringsfraude niet werd uitgesloten - zijn bedrijf af. Met de verzekeringspremie kocht hij een nieuw pand op het Fabrieksplein, het huidige Sint-Vincentiusplein, en de zaken gingen goed.

Jean-Pierre Rosseel was gemeenteraadslid onder het Franse (van 1807 tot 1815) en Nederlandse (van 1817 tot 1824 en van 1827 tot 1830) regime, en na de Belgische onafhankelijkheid zetelde hij van 1830 tot 1842 als orangist in de gemeenteraad. Hij werd rechter in de koophandelsrechtbank en was van 1829 tot 1837 lid van de Kamer van Koophandel.

In 1834 was hij een van de vijf katoenbaronnen achter de stichting van de Socété de l'Industrie Cotonnière, een naamloze vennootschap die met de steun van de regering was opgericht om de economische gevolgen van de breuk met Nederland aan te pakken en de concurrentie uit Engeland en de Elzas aan te gaan. Samen met onder anderen Camille De Bast zocht hij naar nieuwe afzetmarkten en ijverde hij voor exportbevorderende maatregelen. Ondanks forse kapitaalinjecties door de Socété Générale leed de nv jaar na jaar zware verliezen en in 1842 zette de regering de financiering stop. De nv ging in vereffening en toen Jean-Pierre Rosseel een jaar later stierf, verkochten zijn erfgenamen de aandelen van Rosseel & co aan de familie de Hemptinne.

Zoon Pierre-Jean Rosseel, die sinds 1839 het dagelijks beheer over de firma voerde, bleef aan als directeur en combineerde dit enige tijd met het voorzitterschap van de raad van bestuur van de Socété La Lys. In 1838 was hij zijn vader opgevolgd in de Kamer van Koophandel, waarvan hij, op enkele korte onderbrekingen na, lid bleef tot 1851. Net als zijn vader was ook hij een overtuigd orangist en werd ondervoorzitter van de Provinciale Kiesvereniging. In 1848 stapte hij over naar de gematigde liberalen van Hippolyte Rolin. Hij was gemeenteraadslid van 1846 tot 1854 en schepen van Financiën ad interim tussen 1850 en 1852.


Fragment uit: Bart D'hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent. Een uitgave van Snoeck en Liberaal Archief, 2014, 288 p. (€ 35)

boek Van Andriesschool tot Zondernaamstraat