terug naar alfabetisch overzicht
Victor Carpentier, 1878-1938

Carpentier studeerde ingenieurswetenschappen aan het Luikse Institut Montefiore en aan de Gentse universiteit, waar hij een prominente rol speelde in de Société Générale des Etudiants Libéraux en medestichter was van de Cercle Universitaire des Colonies scolaires. Na zijn studies ging hij aan de slag als gerechtelijk expert en bedrijfsadviseur. In 1905 werd hij bestuurslid van de Liberale Associatie en van 1907 tot 1937 vervulde hij als penningmeester een sleutelrol in de partij. Samen met zijn vriend Paul Lippens zette hij in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog een nieuwe partijstructuur op de rails en maakte hij de aankoop van het Liberaal Huis op de Sint-Michielshelling mogelijk. In 1908 verving hij Georges Carels die na amper een maand uit de gemeenteraad stapte. Hij werd verslaggever van de commissie Begroting en specialiseerde zich in onderwijsbeleid en openbare werken. Hij werd in 1918, in opvolging van Louis Varlez, ook hoofd van het stedelijk Werklozenfonds en de Werkbeurs.

In 1927 volgde hij Rodolphe De Saegher op als schepen en werd bevoegd voor Schone Kunsten, Beroepsonderwijs en Openbare Werken, een departement dat in de economische crisis van begin jaren 1930 een belangrijke rol speelde bij de bestrijding opslorping van de werkloosheid. Het Gentse patrimonium breidde hij uit met een nieuwe hal voor het slachthuis op het Sint-Baafsdorp en een stadslaboratorium in het Baudelopark. Het Werklozenfonds kreeg nieuwe burelen aan de Krommewal. Hij zette intussen de restauratie van de historische binnenstad voort en moderniseerde het stadhuis, dat onder meer centrale verwarming én Ö een prikklok kreeg. Voor het onderwijs bespoedigde hij de bouw of verbouwing van de scholen aan de Meulestedesteenweg, de Martelaarslaan en de Tweebruggenstraat, en van het lyceum. In 1934 volgde hij de socialist Désiré Cnudde op als hoofd van het algemene departement Onderwijs en ruilde hij Openbare Werken en Schone Kunsten voor het beheer van de stadsregieën.

voorgevel van school Victor Carpentier Gent

Als schepen tijdens de economische crisis waren zijn middelen beperkt. Bovendien slaagde hij er niet in om de daling van het aantal leerlingen een halt toe te roepen. De curve van het aantal inschrijvingen in de lagere scholen zakte in 1935 voor het eerst sinds het bestuur van Gustave Callier onder de tienduizend. Dit werd enerzijds veroorzaakt door een stadsvlucht en een knik in de bevolkingspiramide als gevolg van de Eerste Wereldoorlog en anderzijds door het succes van het vrij onderwijs. Carpentier zocht en vond een gedeeltelijke remediŽring in de modernisering van de programma's en de uitbreiding van het aanbod, wat tezelfdertijd de tewerkstelling ten goede kwam. Leerkrachten die door het dalende leerlingenaantal onvoldoende lesuren konden invullen, werden ingezet als vakleerkracht Frans of lichamelijke opvoeding, surveillant, interimaris of verantwoordelijke voor kinderopvang.

Zijn inzet voor vorming en onderwijs was echter veel ruimer. Hij was actief in de Laurentkringen en een tijdlang voorzitter van de Société Callier. Binnen het Van Crombrugghe's Genootschap, dat hem in 1937 tot erevoorzitter benoemde, richtte hij in 1924 de Foyer Van Crombrugghe op, die het patrimonium van de vereniging ging beheren. Binnen Van Crombrugghe's werd na zijn overlijden een Fonds Carpentier opgericht dat gedurende decennia schoolboeken ter beschikking stelde van de minder gegoede leerlingen van de stadsscholen. Na Carpentier verdwenen de liberalen gedurende twintig jaar uit het kabinet onderwijs. De draad werd weer opgepikt door de zoon van oud-burgemeester Alfred Vanderstegen, Jacques Vanderstegen, die onderwijsschepen was van 1958 tot 1970.

Carpentier was ook op nationaal vlak politiek actief: hij was senator (1921 tot 1929 en 1932 tot 1936) en volksvertegenwoordiger (1929 tot 1932) en liet vooral van zich horen bij de begrotingsbesprekingen en in de debatten over de sociale zekerheid. Als strijdbaar francofiel verdedigde hij er meermaals de Franstalige Gentse universiteit en bekwam in 1930 een korte verlenging van het Franstalig onderwijs voor de burgerlijke ingenieurs.

Na een langdurige ziekte overleed Carpentier in oktober 1938 en werd burgerlijk begraven op de Westerbegraafplaats. Een monumentaal familiegraf in eclectische stijl markeert zijn laatste rustplaats.

Op Meulestede herinnert de stedelijke Carpentierschool, ontworpen door Charles Bar, nog aan zijn beleid als onderwijsschepen. De school werd in 1936 naar hem genoemd en is een mooi voorbeeld van Nieuwe Zakelijkheid. Zijn buitenverblijf in Mariakerke, het Kollekasteel, werd eigendom van een vzw die het domein uitbouwde tot een socio-cultureel centrum. Dit landgoed werd gebouwd in 1830 door de toenmalige liberale burgemeester van Mariakerke, Gustave Herry-Vispoel, en kort na de eeuwwisseling verkocht aan Victor Carpentier. De laatste erfgenaam, Charles Carpentier, verkocht het verwaarloosde pand in 1970 aan een groep buurtbewoners die het kasteel doorheen de jaren op eigen kracht restaureerden en opnieuw in gebruik namen.


Fragment uit: Bart D'hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent. Een uitgave van Snoeck en Liberaal Archief, 2014, 288 p. (€ 35)

boek Van Andriesschool tot Zondernaamstraat