terug naar alfabetisch overzicht
Victor Deneffe, 1835-1908

Na studies geneeskunde in Gent en bijkomend onderzoek aan de universiteiten van Londen en Parijs, behaalde Victor Deneffe in 1864 een doctoraat in de chirurgische wetenschappen. Hij kon onmiddellijk aan de slag aan de Gentse universiteit als docent op de afdeling verloskunde, en werd in 1868 buitengewoon en in 1873 gewoon hoogleraar. Van 1875 tot 1905 stond hij aan het hoofd van de dienst operatieve heelkunde, toen nog gevestigd in het stedelijk ziekenhuis van de Bijloke dat onderdak bood aan de faculteit geneeskunde.

grafsteen Victor Deneffe

Zijn grootste belangstelling ging daarbij uit naar de oogheelkundige afdeling waarvan hij sinds 1869 directeur was. Zijn engagement als oogarts vloeide voort uit zijn strijd tegen de trachoomepidemie die in de tweede helft van de negentiende eeuw door Vlaanderen raasde en niet te stoppen leek. Deze ernstige oogziekte, die tot tijdelijke of zelfs definitieve blindheid kan leiden, sloeg het hardst toe bij de armere bevolking. Oorzaak van de ziekte was immers een gebrekkige hygiëne en een tekort aan zuiver water. Gecombineerd met een chronisch gebrek aan medische zorgen om financiŽle redenen, bleven de laagste klassen heel kwetsbaar voor de aandoening die als een typische armoedeziekte van generatie op generatie werd doorgegeven. Via publicaties in de pers en in vaktijdschriften, voordrachten en politieke actie eiste hij aandacht voor dit probleem en propageerde hij een gestructureerde aanpak op lange termijn om de ziekte, mits voldoende overheidssteun, te kunnen uitbannen. Dit resulteerde in de oprichting van een nationaal korps van geneesheer-inspecteurs, die per kanton de consultaties zouden coŲrdineren en voor een behandeling van de armen zouden instaan. Hij gaf zelf het goede voorbeeld maar werd in 1877 zelf besmet met trachoom. Hij kon pas twee jaar later zijn praktijk hervatten en de ziekte bleef latent aanwezig, zodat hij een deel van zijn medisch werk aan assistenten moest overlaten. Om verder onderzoek te bevorderen, stichtte hij bij testament een driejaarlijkse prijs voor jonge medische vorsers.

Ook buiten zijn onmiddellijke beroepsomgeving getuigde Deneffe van een groot sociaal engagement. Hij steunde projecten als de Gentsche Volkskeuken en Eigendom door Spaarzaamheid, was een financier van de Société Callier en een trouw lid van het Willemsfonds. Als politicus lag de focus niet anders. Hij was liberaal gemeenteraadslid van 1881 tot 1907 en zette zich vooral in voor de verbetering van de openbare gezondheidszorg en voor saneringsprojecten die de stadshygiŽne ten goede kwamen. Hierdoor trad hij in de voetsporen van andere geneesheren die hem in de raad waren voorgegaan, zoals Joseph Guislain, César Fredericq of Adolphe Burggraeve.

In de vrije tijd die hem nog restte, was Deneffe een enthousiast amateur-historicus en beschermer van het historisch erfgoed. Hij was stichtend lid van de Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent en was samen met Auguste de Maere betrokken bij de redding van het Gravensteen. Ten persoonlijken titel verzamelde hij artefacten en historische instrumenten uit de klassieke oudheid. Een zevenhonderd stuks kwamen na zijn dood als de collectie Deneffe in handen van de universiteit die ze momenteel bewaart en tentoonstelt in het Museum voor de Geschiedenis van de Geneeskunde in het Pand in Onderbergen.

Deneffe ging in 1905 met emeritaat en overleed drie jaar later. Hij werd begraven op de Westerbegraafplaats waar bewonderaars een witmarmeren portretmedaillon - van de hand van Hippolyte Leroy - op de grote arduinen sarcofaag lieten plaatsen. Leroy maakte ook een borstbeeld dat het peristilium van de Aula in de Volderstraat siert, en twee beelden die in het Pand worden bewaard.


Fragment uit: Bart D'hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent. Een uitgave van Snoeck en Liberaal Archief, 2014, 288 p. (€ 35)

boek Van Andriesschool tot Zondernaamstraat