terug naar alfabetisch overzicht
Virginie Loveling, 1836-1923

virignie loveling

De schrijfster Virginie Loveling doorbreekt hier heel even de lange opsomming van mannelijke boegbeelden en voortrekkers. Afkomstig uit dezelfde familie als Cesar en Paul Fredericq, en Cyriel, Arthur en Alice Buysse groeide ze op in een Vlaams- en liberaalgezinde familie. Via haar halfbroer Cesar Fredericq maakte ze kennis met de liberale progressieven rond Gustave Callier en de Société Huet, waardoor zij reeds op jonge leeftijd kon bogen op een ongewoon rijke en gediversifieerde vorming.

In 1870 trok ze samen met haar zus Rosalie voor het eerst literaire aandacht met hun Gedichten. In 1874 volgde een eerste bundel met novellen van de twee zussen maar na de dood van Rosalie een jaar later, legde ze zich vooral toe op het schrijven van realistische romans. Toen haar moeder, Marie Comparé, in 1879 overleed, verhuisde Virginie definitief van Nevele naar Gent. Met In onze Vlaamse gewesten, gepubliceerd in 1877 onder het pseudoniem W.G.E. Walter, en Sophie, een boek uit 1885 over de schoolstrijd op het platteland, eiste ze haar plaats op in het maatschappelijk debat. Ze schaarde zich achter de banier van het vrijzinnig liberalisme, klaagde de klerikale impact op zowel het dagelijks leven als het staatsbestel aan, maar pleitte ook voor een compromiscultuur die een vreedzaam samenleven van klerikalen en liberalen mogelijk zou maken. Haar voor een vrouw uit die tijd, zeldzame vrijpostigheid en publieke profilering, maakten van Virginie Loveling een van de meest controversiŽle auteurs én vrouwen uit het Vlaanderen van de negentiende en begin twintigste eeuw. Gelaakt door een groot deel van katholiek Vlaanderen, plaatsten de Vlaamse liberalen haar op een voetstuk.

Reeds in 1882 organiseerde het Willemsfonds een grootse huldiging in het Lakenmetershuis waarbij de schrijfster een borstbeeld werd aangeboden. Karel Bogaerd schreef bij die gelegenheid een huldedicht waarin het aan duidelijkheid niet ontbrak [Volksbelang, 4.11.1882, p.2]:

    "Eerst zongt Gij als de nachtegaal
    uw zieletovrend lied;
    thans klinkt uw woord als mannentaal
    op 't vlaamsche kunstgebied;
    ja meer; waar mannen buigen, bang
    voor papenlist en priesterdwang,
    daar buigt of beeft Gij niet.

    In breede trekken grootsch en stout
    schetst Ge ons den dwingeland af,
    die Vlaandren nog gebogen houdt
    met zijnen herderstaf,
    de priester zwart van ziel en kleed,
    die snood de Christenleer vertreedt,
    die hem zijn Meester gaf.

    Heb dank, heb dank, vereerde Vrouw!
    Gij die met mannenkracht
    uw vaderlandsche zending trouw,
    't verlicht en vrij gedacht
    verdedigt in ons vlaamsch gewest,
    dat diep verkwezeld papennest,
    gehuld in Roomschen nacht."

In de daaropvolgende jaren verstevigde ze vooral haar reputatie als literator. Voor haar roman Een dure eed uit 1891 ontving ze de vijfjaarlijkse Staatsprijs voor Literatuur, waarna nog romans als De Bruid des Heeren (1895), Erfelijk Belast (1906) en haar, volgens velen, belangrijkste roman Het Revolverschot (1911) volgden. Samen met haar neef Cyriel Buysse publiceerde ze in 1912 de satirische zedenschets Levensleer - uitgegeven door Adolphe Herckenrath - waarin de Gentse verfranste petit-bourgeoisie zwaar op de korrel werd genomen. Pas in 1999 werd haar oorlogsdagboek gepubliceerd door de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Met een onwaarschijnlijke zin voor observatie beschreef ze gedurende vier jaar de gevolgen van de bezetting en het leven in Gent onder Duits bestuur, waardoor het - zoals het oorlogsdagboek van Marc Baertsoen - een unieke bron over de lokale geschiedenis van die tijd is. In 2014 werd dit oorlogsdagboek vanwege zijn cultuurhistorische betekenis op de Vlaamse Topstukkenlijst, een collectie zeldzame en onmisbare cultuurgoederen die een speciaal beschermingsstatuut genieten, gezet.

Op 28 april 1912 stond Gent in het teken van een grootse Lovelinghulde. De schrijfster werd met paard en koets thuis afgehaald door een stoet waaraan meer dan honderd verenigingen deelnamen en die haar tot het stadhuis escorteerden, waar burgemeester Emile Braun haar namens de stad een gouden gedenkpenning overhandigde. Festiviteiten in de Nederlandse Schouwburg en op de Kouter sloten deze viering af. Een van de aanwezigen op dit feest was Alice Buysse, haar nicht die tijdens haar studententijd bij Virginie Loveling had ingewoond en in 1926 de eerste vrouwelijke liberale gekozene van Gent werd.

Virginie Loveling overleed in december 1923 en werd met militaire eer - ze was officier in de Leopoldsorde - begraven op de Westerbegraafplaats, middenin een concessie voor drie graven die ze in 1911 had gekocht. Zelf kwam ze in het midden te liggen, met later rechts haar neef Cyriel Buysse en links diens broer Arthur Buysse en nakomelingen. Op oudejaarsdag van datzelfde jaar nog, besloot het stadsbestuur een straat op de Blandijnberg naar de gezusters Loveling te noemen. Ook het gemeentebestuur van Gentbrugge noemde een straat naar de zussen maar deze werd na de gemeentefusie van 1976 omgedoopt in de Tineke van Heulestraat. Jacob Semey had reeds in 1894 een van zijn beroemde villa's op de Vlaamsekaai opgedragen aan Virginie Loveling met een verwijzing naar haar prijswinnende roman Een dure Eed. In het voorjaar van 2014 nam de Vlaamse overheid de Virginie Lovelingtoren in gebruik, een modern kantorencomplex van negentig meter hoog (de derde hoogste toren van Gent na de Arteveldetoren van de KBC en het Belfort) tussen het Sint-Pietersstation en de Koningin Fabiolalaan, bestemd voor de Vlaamse administratie en genoemd naar de schrijfster die in deze wijk woonde.


Fragment uit: Bart D'hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent. Een uitgave van Snoeck en Liberaal Archief, 2014, 288 p. (€ 35)

boek Van Andriesschool tot Zondernaamstraat