Terug naar vorige pagina
NOOIT TE LAAT.
EEN STANDBEELD VOOR JAN VAN RIJSWIJCK


Te Antwerpen, een stad met veel 19de-eeuwse standbeelden – veel meer dan bv. Gent – ontbrak zeker nog één standbeeld. Vandaag wordt die historische leemte gevuld: Jan Van Rijswijck krijgt – eindelijk – zijn standbeeld en hij krijgt een standbeeld in verhouding tot zijn betekenis. Het is een gepast eresaluut aan ongetwijfeld de grootste Antwerpse burgemeester uit de 19de eeuw.
Want wie herinnert zich nog de namen van zijn vier voorgangers? Het gaat meer bepaald om Le Grelle, Loos, Van Put en de Wael, allemaal van adel of gefortuneerd en Franstalig. Jan Van Rijswijck was dat niet, hij was de burgemeester van het volk, hij was één van hen.

Al was Jan Van Rijswijck bijzonder populair, zijn betekenis is niettemin met de jaren weggedeemsterd en leeft alleen nog in de Jan Van Rijswijcklaan en in het Jan Van Rijswijck-centrum, een organisatie die naar zijn voorbeeld Vlaams en sociaalvoelend wil zijn.

Waarom hier en nu een standbeeld voor Jan Van Rijswijck?
En heeft hij vandaag nog een betekenis?

Jan Van RijswijckMaar eerst even een aantal feiten op een rijtje.
Antwerpen kende in het laatste kwart van de negentiende eeuw een geweldige groei. In 1830 was Antwerpen met zijn 74.000 inwoners slechts de derde stad van het pas onafhankelijk geworden België. Brussel telde 100.000 inwoners en Gent 86.000. In 1860 was het aantal inwoners reeds met 100.000 toegenomen en in 1900 was Antwerpen met 270.000 inwoners de grootste stad van het land. In het midden van de 19de eeuw was de Antwerpse economie nog sterk ambachtelijk en in tegenstelling met het reeds sterk geïndustrialiseerde Gent, was Antwerpen een stad van kleine familiale bedrijven. De Antwerpse burgerij – in de meest ruime zin van het woord – maakte meer dan de helft van de bevolking uit maar slechts één gezinshoofd op vijf – we waren dan nog in de tijd van het cijnskiesrecht – betaalde genoeg belastingen om te mogen stemmen. Ook Jan Van Rijswijck beschikte niet over stemrecht toen hij op 25-jarige leeftijd tot provincieraadslid werd verkozen.
De bloei van de haven stimuleerde de dienstensector en Antwerpen groeide uit tot een belangrijk centrum voor diamantverwerking: van 2.500 arbeiders in 1898 tot 6.000 in 1910. De ambachtelijke bedrijven uit de traditionele sectoren (voeding, textiel, kleding, hout, meubelen) bleven sterk, de dienstensector (banken, verzekeringen) groeide en grotere bedrijven uit nieuwe sectoren (papier, chemie, non-ferro en metaal) kwamen zich te Antwerpen vestigen: Bell Telephone in 1882, Gevaert fotoproducten in 1894 en Minerva – het prestigieuze automerk - in 1903. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog telden deze drie bedrijven meer dan 6.000 werknemers. Cultureel was het de tijd van de Belle Epoque, de jaren van de grondige stadsvernieuwing in de wijk Zurenborg en in de Leysstraat, van de bouw van de Vlaamse Opera, het Zuidstation, het Centraal Station en de synagoge in de Bouwmeestersstraat, van de Wereldtentoonstelling van 1894 en van de grote Van Dijcktentoonstelling in 1899. De elektrische tram verving de paardentram.
In deze jaren was Jan Van Rijswijck burgemeester van Antwerpen.

Jan Van Rijswijck werd geboren te Antwerpen op 14 februari 1853. Hij groeide op in een bescheiden beginselvast gezin: Vlaamsgezind, democratisch en, conform de tijdsgeest, antiklerikaal. Zijn vader belandde voor zijn beginselvastheid zelfs in de gevangenis. Op zijn zestiende was Jan Van Rijswijck reeds wees maar dankzij zijn doorzettingsvermogen en zijn werkkracht – hij bekostigde zelf zijn studies als werkstudent - wist hij het te brengen tot doctor in de rechten. Hij vestigde zich onmiddellijk als advocaat te Antwerpen – we schrijven 1876. In 1878 werd hij verkozen tot provincieraadslid en bleef dit tot 1884. Met deze verkiezing was onmiddellijk duidelijk geworden dat Van Rijswijck over een groot electoraal potentieel beschikte. In 1881werd hij gemeenteraadslid en in 1889 volgde hij Evarist Allewaert op als Schepen van Onderwijs, alhoewel Van Rijswijck vooral als burgemeester een stempel zou drukken op het Antwerps officieel onderwijs. In 1892 werd Van Rijswijck burgemeester, maar dit was niet zonder tegenstand in de eigen liberale rangen verlopen. Het was toen nog niet vanzelfsprekend dat een volksgezinde consequente flamingant die slechts een arme advocaat was, de handelsmetropool Antwerpen zou besturen. Van 1900 tot aan zijn overlijden in 1906 was Van Rijswijck ook lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Ik hoop dat de ruime delegatie van de Nederlandse tak van de familie Van Rijswijck het mij niet kwalijk zal nemen dat ik me beperk tot het publieke leven van Jan Van Rijswijck en niet uitweid over de familiale verbanden.

Die electorale basis was gemakkelijk te verklaren. Hij had volgens alle bronnen een ongelooflijk redenaarstalent. De pers heeft het over “zijn stem van zilver” die een vergadering “in een uitbarsting van onvergetelijke geestdrift” weet te brengen. Op een kiesmeeting in El Bardo heerste “een onbeschrijfelijke geestdrift onder de 3.000 aanwezigen”. De Nieuwe Rotterdamsche Courant weet het iets afstandelijker te beschrijven: “zijne meeslepende welsprekendheid, zijn scherpgesneden pen, zijn ongeëvenaarde populariteit; voldoende is het dat men weet of denkt dat hij ergens zich zal vertonen om het grootste lokaal te klein te maken en elke toespraak van hem verwekt een geestdrift zonder palen”.

Maar het ging om meer dan welsprekendheid. Van Rijswijck was ook actief en betrokken bij tal van Vlaamsgezinde, liberale, vrijzinnige en culturele verenigingen: de rederijkerskamer de Olyftak, het Willemsfonds, de Geuzenbond, de Bond van Kieshervorming, de Liberale Vlaamsche Bond, zijn natuurlijk politiek milieu, de eerste Vlaamse vrijmetselaarsloge Les Elèves de Themis, de Bond der Vlaamsche Rechtsgeleerden, medestichter en ondervoorzitter van de Vlaamse Conferentie bij de Balie te Antwerpen, erevoorzitter van de Liberale Werkliedenmaatschappij van Onderlinge Bijstand Help U Zelve. Ik noem er maar enkele. In de presentatie straks/in de voorbije presentatie kan u/heeft u een sfeerbeeld zien/gezien van de op het Liberaal Archief bewaarde vlaggen van Antwerpse liberale verenigingen uit de periode van Jan Van Rijswijck.

Zijn visie op politiek en samenleving droeg Jan Van Rijswijck ook uit via de pers. Net zoals zijn vader was hij een begenadigd schrijver en een gedreven polemist, wat onder meer duidelijk blijkt uit zijn artikelen in “De Kleine Gazet”, de spreekbuis van vooruitstrevende liberale Vlaamsgezinden. Het was ook voornamelijk in “De Kleine Gazet” dat Van Rijswijck lucht gaf aan zijn antiklerikalisme.

Deze activiteiten verklaren nog niet voldoende zijn populariteit en die was immens. Zijn uitvaart werd bijgewoond door tienduizenden – De Nieuwe Gazet had het over 150.000 toeschouwers en 20.000 rouwenden. Naar aanleiding van deze begrafenis diende deze krant haar oplage eerst op te trekken tot 48.000 en daarna tot 72.000 exemplaren. Een Nederlands toeschouwer had het over “de teraardebestelling van een vorst bij de genade des volks”. Toen in 1924 zijn stoffelijk overschot werd overgebracht van de begraafplaats op het Kiel naar het Erepark Schoonselhof gebeurde dit in aanwezigheid van niet minder dan 211 liberale korpsen en verenigingen.

Die populariteit moet nog diepere gronden hebben. En die diepere gronden zijn de rechtvaardiging voor het standbeeld dat vandaag wordt ingehuldigd.

Er zijn minstens drie gronden aan te geven: zijn doorleefde Vlaamsgezindheid, zijn democratische principes en zijn sociale bewogenheid. In zijn toespraak ter gelegenheid van zijn installatie als burgemeester op 7 november 1892 blijkt dit reeds zeer duidelijk. Zijn eerste zorg is de openbare gezondheid en een gezonde huisvesting. Hij ziet zich daarin alleen lukken als hij een beroep kan doen op het gevoelen van solidariteit, van burgerzin van de bevolking. Ook het gemeentebestuur moet bijdragen tot “het herstellen van veel ongelijkheid en onrecht in de maatschappij”. Als bron van welvaart van Antwerpen verdiende de handel en de haven uiteraard al zijn aandacht. Ten slotte weidt hij ook vrij uitvoerig uit over de Vlaamse Beweging: “in onze groote Vlaamsche Stad, waar meer dan 200.000 inwoners niets dan Vlaamsch en nagenoeg 20.000 de beide talen spreken, geniet dit streven de goedkeuring der overgroote meerderheid, en het is vooral aan dat medegevoel, aan die sympathie tusschen mijne medeburgers en mij, dat ik het wijten moet, indien zij mij hun vertrouwen en hunne genegenheid geschonken hebben”.

Jan Van RijswijckZijn Vlaamsgezindheid had hij van thuis meegekregen. Zij was synoniem voor volksgezindheid. Hij zag er geen tegenstelling in met zijn liberaal engagement. Op de vraag of hij eerst Vlaming was en dan liberaal of omgekeerd, antwoordde hij: “vraag nooit aan een kind wie het meer liefheeft, zijn vader of zijn moeder”. Hij zag voor Vlaanderen geen redding dan in het liberalisme, "geen liberalisme dan besproeid en gedrenkt door de vruchtbare wateren der moedertaal. We kunnen die twee dingen niet afscheiden, want wat is het liberalisme anders dan het voortbloeien van de volksgeest, de harmonische ontwikkeling van alle volkskrachten?".
Zijn flamingantisme was niet geïnspireerd door onderliggende politieke motieven als orangisme, federalisme, laat staan separatisme; het ging hem niet om de homogeniteit van het taalgebied, maar om de gelijke behandeling van het Nederlands, waardoor de rechten van het individu werden gerespecteerd, zoals Lode Hancké terecht schrijft in zijn biografie over Jan Van Rijswijck die het Liberaal Archief in 1993 heeft gepubliceerd. Door zijn consequent gebruik van het Nederlands op het stadhuis heeft hij taalfierheid aan zijn medeburgers gegeven. Het was pas onder Van Rijswijck dat het Nederlands de eerste taal werd op het stadhuis. Bij het afscheid van Van Rijswijck als burgemeester vatte zijn katholieke opponent Coremans het zo samen: “’t was al Vlaams wat uit zijn mond kwam”.
Van Rijswijck had niettemin waardering voor de Franse taal, en hij sprak niet alleen Frans, maar ook Duits, Engels en verder Spaans en Zweeds. Hij kon dus als burgemeester van de metropool met intellectuele stijl en waardigheid internationale gezelschappen ontvangen.
Van Rijswijck had vooral oog voor de taal als sociale barrière. Op een meeting zei hij dat hij er geen bezwaar tegen had dat de adel en haute finance hun papegaai Frans wilden leren praten, maar Van Rijswijck had er wel bezwaren tegen dat zij het Frans wilden opdringen op de lagere school. Van Rijswijck is steeds – ook als burgemeester – een grote verdediger geweest van eentalig Nederlandstalig lager onderwijs in de stedelijke scholen. Hij maakte zich kwaad toen hij een klacht van ouders kreeg voor het gebruik van het Nederlands op het atheneum. “Geen klacht tegen het Grieks, wel tegen het Vlaams, waar moet dat heen?”, vroeg hij zich af. “Antwerpse jongens dienen de taal van het volk te kennen, onder een meer verheven gedaante en in uitgebreidere vorm dan in straattaal of keukentaal”. Voor Van Rijswijck gaat de Vlaamse strijd niet over literatuur, wel over sociale gelijkheid Hij vond een volledige taalbreuk tussen de hogere en lagere klassen een ramp. Zijn liberaal flamingantisme was meer dan een loutere taalbeweging. Het had oog voor de onderliggende sociale tegenstellingen en voor de economische achterstand van Vlaanderen.

De Vlaamse strijd was ook nauw verbonden met de democratische ingesteldheid van Van Rijswijck. Hij was voorstander van de democratische trilogie: de invoering van het verplicht onderwijs, het algemeen stemrecht en de persoonlijke dienstplicht. We kunnen ons vandaag de dag moeilijk de betekenis voorstellen van deze strijdpunten maar Van Rijswijck is er het bewijs van dat deze trilogie niet het exclusieve strijdpunt was van de opkomende socialistische beweging. In zijn reeds geciteerd boek schrijft Lode Hancké dat de liberale arbeidersbeweging te Antwerpen jarenlang de wind uit de zeilen heeft gehouden van het opkomend socialisme.

Onder Van Rijswijck was er zeker “geen kloof met de burger” om een actuele term te gebruiken. Hij brak volledig met het kunstmatig instandhouden van de afstand tussen de burger en de mandataris, zoals het regel was onder het cijnskiesrecht. Hij was ook voorstander van het gemeentelijk referendum en hij was de eerste burgemeester die een concreet initiatief steunde om een gemeentelijk referendum in te richten. Het initiatief tot dit referendum kaderde in de strijd om het algemeen stemrecht. Toen de liberale progressisten hiertoe een voorstel in de gemeenteraad indienden, kreeg het voorstel, dankzij de stem van burgemeester Van Rijswijck, een nipte meerderheid in de commissie betwiste zaken. Ook in de gemeenteraad was de stem van de burgemeester opnieuw doorslaggevend, maar het referendum werd verboden door de gouverneur omdat het niet van gemeentelijk belang was. Het referendum werd, met succes, toch georganiseerd maar dan door de liberale Vooruitstrevend Democratische Vereniging, met de financiële steun van het stadsbestuur.

Als burgemeester was Van Rijswijck op het vlak van sociaal overleg een vernieuwer: hij probeerde de partijen tot een zinvol gesprek te laten komen, hij was een bemiddelaar met een uitermate groot begrip voor de arbeiderseisen. Dat vertaalde zich ook in zijn optreden als hoofd van de politie bij stakingen en betogingen. Hij ging praten met de stakers en hield rijkswacht en leger ver van de betogers. Het Gemeenteblad schrijft dat Van Rijswijck “met waardige woorden de stakers aanried binnen de wettelijkheid te blijven”. Van Rijswijck was voorstander van sociale wetgeving en hij was ervan overtuigd dat de sociale problemen een vreedzame oplossing zouden kunnen krijgen. “ Er is onverdiende ontbering”, zegde hij, “en onverdiende overvloed. Wie het hart op de juiste plaats draagt, lijdt mee met de verstotelingen der fortuin en wie een greintje plichtsbesef in zich gevoelt, ziet mede uit naar de middelen om het lot van de werkman te verlichten”. Zijn volkse afkomst die hij nooit verloochende, en zijn sociale gevoeligheid, die zeker niet door al zijn partijgenoten werd gedeeld, maken van Van Rijswijck een boegbeeld van het sociaal liberalisme.

Met dit standbeeld krijgt dit boegbeeld van het sociaal liberalisme eindelijk zijn publieke erkenning.

Rest nu nog de vraag te beantwoorden waarom hier dat standbeeld?

Er zijn twee goede redenen voor: zijn strijd tegen de Grote Doorsteek en zijn optreden in de grote havenstakingen.

Met zijn optreden in de dokwerkersstaking verwierf Van Rijswijck veel sympathie in de arbeidersmilieus. Omdat de burgemeester zich ten volle bewust was van de ellendige levensomstandigheden van de dokwerkers, heeft hij al zijn populariteit en prestige gebruikt om – tegen de wil in van de havenpatroons – hun levensomstandigheden te verbeteren. Hij zette zich in om een oplossing te vinden zonder gezichtsverlies voor de dokwerkers. Toen dat niet lukte, speelde hij de rol van bemiddelaar om de partijen tot kalmte aan te manen. Dit inlevingsvermogen en zijn behoedzaamheid versterkten zijn reeds grote populariteit. Door die grote volksverbondenheid kon Van Rijswijck het Antwerps liberalisme een zeer breed draagvlak bieden.

De tweede reden waarom deze plaats symbolisch goed is gekozen, is het verzet van Jan Van Rijswijck tegen de Grote Doorsteek. Reeds kort na zijn benoeming als burgemeester werd Jan Van Rijswijck geconfronteerd met het plan om de Schelde recht te trekken tussen het Loodswezen en de Kruisschans. Dit plan werd gesteund door de katholieke regering, de katholieke oppositie te Antwerpen en de Kamer van Koophandel en werd vooral gepropageerd door koning Leopold II. Jan Van Rijswijck en hoofdingenieur Royers vonden het geen goede oplossing om de zo noodzakelijke uitbreiding van de haven mogelijk te maken. Zij vonden dat dit plan te veel risico’s inhield zowel op het vlak van de bereikbaarheid van de haven als op het vlak van overstromingsgevaar voor de stad. Zijn ganse burgemeesterschap heeft Van Rijswijck het hoofd moeten bieden aan dat machtig blok. Hij heeft, tot aan zijn dood, met alle middelen de uitvoering van dit plan bekampt, tegen de druk van de koning in. Uiteindelijk kreeg Van Rijswijck gelijk. Het plan werd begraven en de havenuitbreiding gebeurde met een kanaaldok, maar pas na de Eerste Wereldoorlog. Dit uitblijven van expansiemogelijkheden voor de haven was de grote frustatie van Van Rijswijck.
Maar ook voor dit koppig verzet mag Antwerpen dankbaar zijn dat hij heeft standgehouden. Daarom dit standbeeld op deze plaats als eerbetoon aan deze uitzonderlijke persoonlijkheid.

Prof. em. dr. Juul Hannes, voorzitter Liberaal Archief
Antwerpen, 23 september 2006

(Afbeeldingen uit de Fotocollectie van het Liberaal Archief)
Terug naar vorige pagina