ANDERHALVE EEUW "VERLICHTING" OP HET KRAMERSPLEIN

Op 1 november 1854 zal menig Gents liberaal onthutst wakker zijn geworden. De dag ervoor was immers het ondenkbare gebeurd: voor het eerst sinds de onafhankelijkheid in 1830 hadden de katholieken de gemeenteraadsverkiezingen in de Arteveldestad gewonnen. Judocus Delehaye volgde Constant de Kerchove op als burgemeester en vele liberale initiatieven uit de voorbije kwarteeuw – waaronder het zo gekoesterde stedelijk onderwijs - kwamen onder druk te staan.

De gemeenteraadsverkiezingen van 1857 maakten een einde aan dit korte katholieke interregnum en de liberaal Charles de Kerchove de Denterghem heroverde de burgemeesterssjerp. Hij was vastbesloten om nooit meer door de katholieken in een oppositierol te worden gedwongen en daartoe zette hij in januari 1858 een versneld seculariseringproces op de sporen met de klemtoon op de uitbouw van het stedelijk onderwijs. Deze uitbouw vertrouwde hij toe aan de gedreven Gustave Callier, die amper een maand later zijn beleidsplan al voorlegde aan de gemeenteraad. Callier kloeg in de zitting van 13 februari 1858 het tekort aan onderwijsinfrastructuur aan en voorzag in een grootscheepse inhaalbeweging. Een van zijn voorstellen was de bouw van een school voor de kinderen van de textielarbeiders die aan de Opperschelde woonden, de wijk van de Heuvelpoort, Sint-Pieters-Binnen en de Muinkmeersen. De nieuwe niet-betalende lagere stadsschool voor jongens zou opgetrokken worden op een terrein waar eeuwenlang een poel was geweest die de wijk van drinkwater had voorzien. In mei 1840 had men deze intussen sterk vervuilde waterplas in het kader van de eerste urbanisatiewerken in de wijk gedempt en het Kramersplein aangelegd.

Stadsarchitect Adolphe Pauli werd met het ontwerp van de school gelast en reeds op 1 juni 1858 legde hij een plan met bijhorend bestek voor. Pauli tekende een losstaand schoolgebouw in neo-romaanse stijl met twee bouwvleugels. De linkervleugel werd vooraan ingenomen door de directeurswoning waarachter een ommuurde tuin lag die tezelfdertijd de linkerzijde van de speelplaats afsloot. De rechtervleugel, kant van de Overpoortstraat, bood onderdak aan zeven klaslokalen, bestemd voor niet minder dan 350 leerlingen. De twee vleugels verbond hij door een eenvoudige gevelpartij met een centrale toegangspoort, met daarachter een gesloten gaanderij die dienst deed als vestiaire. Aan de achterkant, aan de Voetweg, werd een blinde muur voorzien waartegen de sanitaire voorzieningen een plaats kregen en rondom de volledige binnenkoer werd een overdekte gaanderij aangelegd. In totaal kreeg de school een oppervlakte van 1.735 vierkante meter met een gevelbreedte van 44 meter en een diepte van net geen 40 meter. Pauli begrootte het geheel op 29.998,48 fr. waarvan 16.754,54 fr. voor de klaslokalen, 5.547,15 fr. voor het poortgebouw en de afsluitingsmuur en 7.696,79 fr. voor de directeurswoning.


De stedelijke commissie voor openbare werken onder leiding van Auguste de Maere keurde Pauli’s voorstel nog dezelfde maand goed en in juli 1858 gaf de liberale provinciegouverneur Edouard De Jaegher een definitief groen licht voor de werken. Op 21 augustus werd de openbare aanbesteding gepubliceerd en aannemer Pieter Guislain rijfde het contract binnen. Op 6 september werden de werken aangevat en een half jaar later, op 1 maart 1859, volgde de voorlopige oplevering. De totale kostprijs kwam op 28.144,43 fr. voor het gebouw en 3.400 fr. voor het schoolmeubilair, naast de 26.000 fr. die de stad indertijd had betaald voor de grond. De inbreng van de nationale overheid in deze werken bedroeg het ronde bedrag van 10.000 fr.

In september 1859 werd de school in gebruik genomen … en was onmiddellijk te klein. In het oorspronkelijke voorstel van Callier was al sprake geweest van een school voor 800 leerlingen, wat eerst was afgezwakt tot 400 en uiteindelijk tot 350. Pauli diende op 4 december 1859 een eerste uitbreidingsvoorstel in dat in april 1860 door het gemeentebestuur werd goedgekeurd. De tuin van de directeur werd vervangen door vijf nieuwe klaslokalen die in de zomer van 1861 in gebruik werden genomen. De school bleef te klein en in 1882 ontwierp stadsarchitect Charles Van Rysselberghe een tweede uitbreidingsplan. Hij stelde voor om een verdieping op te trekken bovenop de klaslokalen waardoor niet enkel het aantal klaslokalen zou toenemen maar er ook ruimte zou zijn voor een overdekte speelplaats, een bibliotheek en een schoolmuseum. De directeurswoning zou worden gehalveerd. De kelderverdieping bleef ter beschikking staan van het schoolhoofd maar het lokaal op de verdieping zou omgebouwd worden tot een turnzaal. Het gemeentebestuur wees het plan van Van Rysselberghe af en vroeg een nieuw ontwerp. Pas elf jaar later – in 1893 – diende de stadsarchitect een nieuw plan in. De verdieping op de vleugel achter de directeurswoning was geschrapt en enkel op de rechtervleugel aan de kant van de Overpoortstraat werd een bijkomende verdieping voorzien. De architect mikte hierbij op een overdekte speelplaats, een doucheruimte en drie klassen op het gelijkvloers, en zes of zeven klaslokalen op een eerste verdieping. Ook dit voorstel vond geen genade in de ogen van de gemeenteraad, die elk ontwerp met verdiepingen verwierp. Verder uitbreiden was hierdoor zo goed als onmogelijk. Het pleintje voor de school moest immers vrij blijven voor de jaarlijkse kermis en de door de gemeenteraad gesuggereerde uitbreidingen aan de zijvleugels of de achterbouw werden als onpraktisch van de hand gewezen. De verbouwingen van 1899-1900,nog steeds onder leiding van Van Rysselberghe, gaven de school ten slotte op enkele details na haar definitieve vorm. De belangrijkste wijziging aan het gebouw betrof de directeurswoning, die werd omgebouwd tot een turnzaal met in de kelderverdieping publieke stortbaden.


De stadsschool van het Kramersplein, ook geboekstaafd als de school van het Klein-Sint-Pietersplein of van de Muinkbruglaan, herbergde in de anderhalve eeuw van haar bestaan veel meer dan enkel een lagere jongensschool. Zo werd er vanaf 1865 een zondagsschool voor mannen georganiseerd en vond er vanaf 1868 avondonderwijs voor jonge volwassenen plaats. In 1882 werd het Kramersplein de eerste niet-betalende lagere school waarin – met veel succes – begeleide avondstudie werd gegeven. De school toonde zich ook gastvrij naar derden toe. Zo huisvestte ze onder meer de Dageraadskring Willen is Kunnen en de patronaatswerking van de Liberale Schoolpenning, en kreeg de Gentse Willemsfondsafdeling de beschikking over een lokaal om er een van zijn volksbibliotheken in onder te brengen. De bekendste leerling van de school was ongetwijfeld de vermaarde uitvinder Leo Baekeland, die er van 1870 tot 1876 les volgde.

Nieuwe wijzigingen aan de school lieten vervolgens tot ver na de Tweede Wereldoorlog op zich wachten. Begin jaren 1970 maakten de klaslokalen plaats voor een stedelijk internaat waarin een zestigtal jongens werden ondergebracht. In 1986 werden de gebouwen overgedragen aan de beeldhouwafdeling van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten en kreeg het Deeltijds Kunstonderwijs er een stek. In een hoekje van de linkervleugel werd echter ruimte gelaten voor het toen nog piepjonge Liberaal Archief, dat in 1995 het volledige gebouw aankocht en transformeerde tot een modern archief- en kenniscentrum. In 2010 volgde de inhuldiging van een gloednieuwe multifunctionele ruimte op de binnenplaats (de Blauwe Zaal) en in 2013 werden de gevels gerestaureerd.