LANGS BERG EN DAL

"Op reis en vooral met reizigers der Laurentkringen, die in korte tijd veel moeten zien, slaapt men niet lang. Om 5 uur was eenieder reeds te been. Het weer was allerprachtigst! De wolkenloze hemel voorspelde een heerlijke dag en dit vooruitzicht stemde eenieder tot blijheid". Deze enthousiaste zin staat te lezen in een verslag dat de Gentse Laurentkring Geluk in 't Werk publiceerde over een vijfdaagse uitstap naar de Ardennen in juli 1890.

Brochure Langs Berg en DalGeïnspireerd door de Gentse hoogleraar François Laurent ontstonden in Gent enkele arbeidersverenigingen die streefden naar de zedelijke verheffing van de arbeiders. Een van deze Laurentkringen was Geluk in 't Werk, opgericht in 1880. Dit gezelschap organiseerde een brede waaier aan activiteiten en richtte daarvoor diverse afdelingen op, waaronder een reisafdeling. Deze begon met uitstapjes van één dag (naar de zee, Antwerpen of Brussel), schakelde vervolgens over op tochten tijdens drie dagen van de Gentse Feesten (naar de Ardennen, Nederland, Zwitserland, Engeland) en organiseerde ten slotte nog langere reizen voor zijn leden.

In 1890 trok Geluk in 't Werk voor vijf dagen naar de Ardennen. Daarvan werd een uitgebreid verslag gedrukt en verspreid onder de sprekende titel Langs berg en dal.

Op zaterdag 12 juli, om halftwee, stonden 32 leden "reisvaardig" aan het Zuidstation in Gent, "gans verheugd voor een viertal dagen de stadslucht te kunnen ontvluchten en in de vrije natuur nieuwe levenskracht en nieuwe levenslust op te doen". Het gezelschap moest in Brussel meer dan twee uur wachten op de trein naar Namen. Daarvan maakte men gebruik om een blitsbezoek aan de hoofdstad te brengen. Omstreeks 20 uur reed hun trein het station van Namen binnen. Een half uur later zat iedereen aan tafel. Daarna gingen de meesten nog een kijkje nemen op de foor. Het werd dus laat.

Toch stonden de reizigers de volgende morgen om 5 uur op omdat ze nog eens van de stad Namen wilden proeven vooraleer ze om 8 uur met de trein naar Rochefort vertrokken. 's Morgens bezochten ze de grotten van Rochefort, 's namiddags die van Han. De eerste grot maakte een diepe indruk: "De eigenaar verstaat de kunst om het schilderachtige van zijn ondergronds paleis nog sterker te doen uitkomen; daarbij heeft hij de natuur een handje geholpen, en blijft ze helpen, door hier en daar een verstening af te vijlen om daaraan zekere vormen te geven." De zes kilometer naar Han deed men te voet. De gids, die over de rotsen klauterde als een gems, maakte evenveel indruk als de stalagmieten en stalagtieten. "Wij ijsden bij de gedachte dat één enkele misstap die man reddeloos in de diepte zou neerslingeren". Een goeie fooi was dus wel verdiend.

's Avonds gaf een muziekmaatschappij een concert op de kiosk van Rochefort. De Gentenaars stelden onmiddellijk voor enkele liederen te zingen, maar stuitten op het verzet van de veldwachter, die zich aan het officiële programma wilde houden. De brave man werd echter "overruled" door de burgemeester. Daarop wilden de Gentenaars ook nog deelnemen aan het bal, maar ze werden door de Waalse schonen wandelen gestuurd.

Op maandagmorgen stond het reisgezelschap om halfvijf op om met trein en stoomtram door te reizen naar Saint-Hubert. Daar mochten ze, met de toelating van de minister van Justitie, de jeugdinstelling bezoeken. Het stadje zelf bleek niet veel zaaks. Met grote honger vielen de bezoekers een hotel annex brouwerij binnen, waar ze voor 1,50 frank overvloedig konden eten en drinken. De meid kreeg dus ook een flinke fooi. Na de middag ging de reis verder via Ciney naar Dinant.

De volgende morgen begaf het gezelschap zich al om halfzeven op weg naar het naburige Walzin, Klein-Zwitserland. Tegen de middag stonden de Gentenaars terug in Dinant voor een stevig middagmaal. Daarna was er gelegenheid om geschenken te kopen. Het werd vooral peperkoek. Om halfvijf startte de terugreis. Kwart voor elf reed de trein het Zuidstation binnen, waar talrijke vrienden hen stonden op te wachten. "Steeds blijft het oude gezegde waar: Oost, west, thuis best!"