ERNEST CLAES HAD TWEE KEER PRIJS



Brief van Ernest Claes aan Willemsfonds - 1      Brief van Ernest Claes aan Willemsfonds - 2

Omdat Ernest Claes uit Zichem een verstandig ventje was, mocht hij na de lagere school, met enige vertraging en de financiële steun van de abt van Averbode, voortstuderen in het college van Herentals. Hij was zeven jaar op kot bij Fien Janssens, die op de Bovenrij een modezaak annex drogisterij uitbaatte (een beetje te vergelijken met Jeanne, de Kotmadam van VTM).
In de loop van zijn humaniora won “Nestje” stapels “prijsboeken” die – zo verhaalt hij in zijn memoires – meer waarde hadden als prijs dan als boek (sommigen beweerden zelfs dat de directeur van het college ze per kilo aankocht). Die werken gingen steevast over “suikerzoete zusjes, snullige brave broertjes, mama’s die kloosterzusters en papa’s die kosters hadden moeten zijn. Het waren geen levende mensen van vlees en bloed, maar houten poppen, marionetten”.
Steviger lectuur kreeg Ernest Claes van het Willemsfonds, dat elk jaar de laureaten van de staatsprijskamp voor Nederlandse taal met een boekenpakket bedacht. Daarover noteerde Claes:

Op een middag, bij mijn thuiskomst bij Fien Janssens, vond ik twee grote pakken met uitgaven van het Willemsfonds. Ze lagen in een hoekje onder de huisklok en Fien, met een vuurrode kop, blikte van op haar plaats naar dat hoekje alsof de duivel zelf daar te loeren zat. Dat konden immers niet anders zijn dan liberale, dus zondige en zedenloze boeken. “Die vuiligheid moet dadelijk mijn huis uit!” dreigde Fien.
Ik was reeds verwittigd. De voorzitter van het Willemsfonds, professor Vercouillie van Gent, had me een brief geschreven met gelukwensen en de melding dat de boeken op weg waren. Die verdachte brief was geadresseerd aan het college. Directeur Laurent had hem geopend en mij daarna opgelegd dat die “slechte boeken” dadelijk bij hem moesten gebracht worden.
Ik kon echter aan de bekoring niet weerstaan en deed beide pakken open. Een voor een heb ik die gevaarlijke boeken in de handen genomen en betast en doorbladerd. De twee delen van het Nederlandsch Liederboek heb ik eruit weggenomen – ik bezit ze nog – samen met Keizer Karel en het Rijk der Nederlanden van Julius De Geyter, dat ik nà de lezing, uit gewetenswroeging, heb verbrand, en de rest heb ik met een bloedend hart ’s anderendaags naar het college gebracht. Directeur Laurent plaatste ze in zijn eigen boekenkast.


Het archief van het Willemsfonds, bewaard in het Liberaal Archief, bevestigt in grote lijnen de jeugdherinneringen van Ernest Claes. Alleen blijkt dat hij twee keer een boekenpakket toegestuurd kreeg. Dat gebeurde de eerste keer begin 1903 – Nestje was toen net 17 geworden en zat in de derdes (nu vierdes). Professor Jozef Vercoullie, algemeen secretaris – dus niet voorzitter – van het Willemsfonds, schreef alle laureaten toen een brief met felicitaties en de oproep “dat onze taal steeds in u een wakkere verdediger en beoefenaar vinden zal”. Of hij die brief naar Claes’ college of naar zijn kotadres stuurde, valt niet meer te achterhalen. Het archief weet uiteraard ook niet of de directeur zich die lectuur toeëigende. Wel bevat het archief het enthousiaste antwoord van de jonge Claes. Merkwaardig is dat de jongeman het Willemsfonds blijkbaar kende en zijn werking waardeerde.

’t Heeft mij een waar genoegen verschaft de eer te hebben gehad, de gelukwensen te ontvangen van het Willemsfonds, voor mijn benoeming in de Nederlandse taal. Dat daardoor mijn genegenheid voor die prachtige instelling nog is aangegroeid, behoef ik niet te zeggen. ’t Willemsfonds immers ook strijdt dapper mede voor onze moedertaal. Al hetgeen de vooruitgang der moedertaal voor ideaal heeft, wordt door ieder Vlaams hert in eer gehouden en bemind.
O neen, nooit zal ik dit geacht schrijven vergeten. Als een kostbare gedenkenis zal ik het bewaren, om later het eens te kunnen tonen en te zeggen: “Zie, dat deed het Willemsfonds – en geen enkele andere van die Vlaamse instellingen”.
Het Willemsfonds weet zeker, dat het op de jonkheid is dat de tenemale herboring der moedertaal berust, en daarom vergeet het die jonkheid niet, maar moedigt ze aan door enige welgemeende woorden.
UE. drukt de hoop uit, in mij een beoefenaar en verdediger te vinden – en ik, ik hoop het ook, ja, ik durf het zelfs beloven: een beoefenaar en verdediger van onze moedertaal en een voorstander van het Willemsfonds.


Bij de volgende prijskamp (najaar 1903) viel Ernest Claes opnieuw in de prijzen. Dit keer vroeg professor Vercoullie in zijn brief uitdrukkelijk het adres waar hij de boeken naartoe moest sturen. Dit keer was het antwoord van Ernest Claes behoorlijk kort. Op een postkaart schreef hij:

Ik ben Ued. zeer dankbaar voor de gelukwens die UE. mij heeft gezonden.
Daar UE. mijn adres vraagt om mij enige boekdelen op te zenden, geef ik het hier. Met vreugde zal ik ze ontvangen en bedank UE. op voorhand.




Volgens Claes’ biograaf eindigde de jonge student in zijn retorica als eerste in het “concours général”, met een verplicht opstel over het oplaten van een ballon. Dat leverde hem geen derde zending van het Willemsfonds op. Het budget was dat jaar blijkbaar beperkter. De pakketten gingen in de eerste plaats naar de vrouwelijke laureaten (een vroeg voorbeeld van positieve discriminatie?).

Na zijn humaniora werkte Ernest Claes een jaar in de abdij van Averbode. Daarna kon hij naar de universiteit van Leuven om Germaanse filologie te studeren. Hij zette zich jarenlang in voor de Vlaams-katholieke zaak. De moedertaal bleef hij verdedigen en beoefenen, zoals hij aan prof. Vercoullie beloofd had, maar of hij ook een voorstander van het Willemsfonds bleef, is minder duidelijk.

Bronnen
- Liberaal Archief, Archief Willemsfonds
- Armand Boni, Ernest Claes, Leuven 1948
- Ernest Claes, Studentenkosthuis “Bij Fien Janssens”, Antwerpen 1952
- Ernest Claes, Voor de open poort, Leuven 1952

Daniël Vanacker

top