DE BARON VAN OORDEGEM

Omdat de Gentse liberale burgemeester Emile Braun zo'n charmant man was, spraken de Gentenaars van "Miele Zoetekoek". Hij had echter ook tegenstanders die hem liever de "baron van Oordegem" noemden. Dat was een venijnige verwijzing naar de septemberdagen van 1914. Toen de Duitse generaal von Böhn begin september 1914 in de buurt van Melle op hevige weerstand botste, dreigde hij in een brief aan burgemeester Braun dat hij Gent zou beschieten en sommeerde hem om naar zijn hoofdkwartier in Oordegem te komen om over de bezetting van de stad te praten. Braun bood zich de volgende morgen aan met de vraag uit Gent weg te blijven. Dat kon de Duitse bevelhebber beloven mits het stadsbestuur aan het Duitse leger 150 ton haver, 100.000 sigaren, 1.000 flessen mineraal water en nog wat andere zaken leverde. Dat kwam snel in orde (al werd Gent een maand later toch bezet).



Het Vlaamsgezinde satirische tijdschrift Pallieter publiceerde in 1922 deze karikatuur van burgemeester Braun.
Zijn sigaar, met op het bandje de vermelding "Oordeghem" en "100.000", herinnert aan zijn deal met de Duitse generaal von Böhn.
(Collecties Liberaal Archief)

Brauns optreden leverde hem veel lof op maar ook kritiek. De burgerlijke overheid hoorde zich immers niet met militaire operaties te bemoeien. Toch was Brauns interventie niet uniek. In Brussel deed zijn liberale collega Adolphe Max het ook en in Antwerpen leidde de liberale volksvertegenwoordiger Louis Franck de besprekingen over de overgave aan de Duitse belegeraar.
In de nalatenschap van een Duitse militair die de oorlog grotendeels in Gent doorbracht en van daar ongeveer 600 brieven aan het thuisfront schreef, zit toevallig, om een onverklaarbare reden, de tekst van Brauns toespraak van 8 september. Merkwaardig is dat de burgemeester naar de stroppendragers uit de tijd van keizer Karel verwijst. De tekst staat afgedrukt in een recent boek met een selectie uit de correspondentie van deze militair.

"J'ai répondu à votre appel. Après beaucoup d'hésitation, croyez-le bien. Mais en présence des menaces si terribles pour la ville de Gand, que renfermait votre lettre, j'ai pensé que mon devoir de bourgmestre et le souci de la conservation de la cité, que j'ai l'honneur d'administrer, m'imposaient l'obligation de faire taire toute autre considération.
Comme Vous le voyez, je ne me présente pas en chemise et la corde au cou, comme les Gantois de l'époque de Charles V. C'est en citoyen belge attaché inébranlablement à sa patrie, à son souverain, que je me présente devant Vous et que je Vous parle.
L'armée belge, obéissant à la volonté de son chef suprême, le roi Albert, défend pied à pied le sol de la patrie. Elle a, comme c'était son devoir, opposé les faibles troupes dont elle disposait dans la région, à la marche en avant des troupes allemandes, ennemies. Vaincue par le nombre, elle s'est retirée devant Vous. Vous vous trouvez maintenant devant une ville ouverte où il n'y a plus aucune force armée.
Le Bourgmestre et les échevins de la ville de Gand représentant l'autorité civile, mettent leur cité et ses habitants sous la protection des lois, qui régissent les relations entre peuples civilisés en temps de guerre. Ils feront ce qui est en leur pouvoir pour éviter tous les actes d'hostilité de la part de leurs concitoyens.
Nous Vous demandons, s'il est possible encore, de Vous détournez de notre Ville et de nous laisser l'administration sans l'intervention de l'autorité allemande."


Walter Thys (red.), Ein Landsturmmann im Himmel, Flandern in der Erste Weltkrieg in den Briefen von Herman Nohl an seine Frau, Leipzig 2005.

top