100 JAAR GELEDEN KREEG DE LIBERALE PARTIJ EEN NATIONALE STRUCTUUR

Standbeeld Albert MechelynckDe Gotische zaal van het Brusselse stadhuis, zondag 14 juni 1846. Niet minder dan 384 liberale afgevaardigden uit het hele land richtten de eerste politieke partij van België op. De Liberale Partij van 1846 leek maar vaag op wat vandaag onder een politieke partij wordt verstaan. Er werd geen nationale structuur opgezet, geen voorzitter of bestuur gekozen, niet gestemd over statuten of een huishoudelijk reglement, en inhoudelijk schaarde men zich pas na veel discussie achter een minimumprogramma met slechts zes actiepunten.

Vrijwel de hele negentiende eeuw werd er op die manier gewerkt. Door de invoering van het bekwaamheidskiesrecht in 1883 en het algemeen meervoudig stemrecht voor mannen in 1893, kwam er een toevloed aan nieuwe kiezers. Om die op te vangen diende een lokale partijstructuur te worden uitgebouwd. Er bleek ook een grotere nood aan een overkoepelend nationaal bestuur. Toch liet dit overkoepelend bestuur nog meer dan twintig jaar op zich wachten. Pas op 2 juli 1912 hakten de liberale Kamer- en Senaatsfracties de knoop door en schaarden de parlementsleden zich unaniem achter het principe van een centraal bestuur, maar daar bleef het voorlopig bij.

Er was nog een tweede impuls nodig, en die kwam datzelfde jaar van de Nationale Federatie van Liberale Jonge Wachten. De jongeren waren het getalm beu en riepen op 1 december 1912 een landelijk congres voor de liberale organisaties samen, waarop naast enkele actualiteitspunten nadrukkelijk aandacht werd geschonken aan de reorganisatie van de partij. In de slotresolutie sprak de meerderheid van de congresgangers zich positief uit over de vorming van een nationaal bestuur en de wagen kwam weer in beweging. In januari 1913 vonden enkele aftastende gesprekken plaats en werd een commissie samengesteld die de nieuwe structuur zou voorbereiden. De voornaamste leden hiervan waren Albert Mechelynck en Remi De Ridder (Gent), Paul Hymans en Charles Lemonnier (Brussel), Louis Franck en Edouard Van Regemorter (Antwerpen), Julien Drèze en Charles Van Marcke (Luik), Robert Gillon (Kortrijk) en Leon Jourez (Nijvel). Het voorzitterschap ging naar de Brusselse senator Samson Wiener.

De commissie werkte op heel korte tijd een partijstructuur uit met een nationaal bestuur, een bestendig secretariaat en een landsraad (waarin voor het eerst ook de liberale middenveldorganisaties werden vertegenwoordigd) en kon in maart een ontwerp van statuten voorleggen. De parlementsleden en afdelingsvoorzitters keurden deze goed en er werd een voorlopig bestuur opgericht. De keuze voor een voorzitter was blijkbaar niet evident en het werd een duobaan voor de Brusselaars Charles Van Marcke en Prosper Hanrez. De Gentse journalist en hoofdredacteur van La Flandre Libérale Gustave Abel nam de functie van nationaal secretaris op zich.

Enkele maanden later vielen Duitse troepen het land binnen. Door de oorlog kwam er een abrupt einde aan de vorming van een prille nationale structuur. Na de oorlog zou de draad opnieuw worden opgepakt. In 1919 kwam de Landsraad van de Liberale Partij voor het eerst samen en in 1920 werd Albert Mechelynck verkozen tot eerste echte nationale voorzitter.