ONZE PROPAGANDIST IN ELISABETHSTAD

In 1912 publiceerde het Willemsfonds een boekje van 135 pagina's over "Katanga en Zuid-Afrika". Auteur was Augustin Lodewyckx, een oud-leerling van de Gentse hoogleraar Jozef Vercoullie, voorzitter van het Willemsfonds. Over deze publicatie schreef de auteur diverse brieven aan de voorzitter, die in het rijke archief van het Willemsfonds bewaard bleven. Wel staat daar niet in te lezen dat Lodewyckx in koloniale dienst werkte om propaganda te maken voor de kolonisatie van Katanga.

Augustin Lodewyckx (1876-1964), geboren in Booischot (Heist-op-den-Berg) was voorbestemd om priester te worden, maar verliet na drie maanden het seminarie. Hij trok naar het leger dat hem de mogelijkheid gaf aan de Gentse universiteit Germaanse filologie te studeren. Daarna werkte hij in Leiden enkele jaren mee aan het Woordenboek der Nederlandse Taal. Omdat het voor een liberale flamingant niet gemakkelijk was een job als leraar in BelgiŽ te vinden, aanvaardde Lodewyckx een benoeming in het Victoria College in Stellenbosch (later de universiteit van Kaapstad). Vijf jaar later werd hij er ontslagen wegens een vrouwenhistorie.
Lodewyckx kwam terug naar BelgiŽ. Hij kreeg de kans om drie jaar voor de koloniale dienst te werken. Hij trok het land rond met spreekbeurten waarin hij de lof zong van Congo en Zuid-Afrika. Twee van zijn teksten verschenen in het Vlaams-liberale tijdschrift De Vlaamse Gids. Aan zijn oud-professor Vercoullie stelde hij voor enkele van zijn voordrachten te bundelen als een uitgave van het Willemsfonds. Vercouillie zegde onmiddellijk toe. Bij het nalezen reageerde een van de lectoren echter bijzonder sceptisch: hij vond Lodewijckx' verhaal veel te optimistisch. De auteur verdedigde zich in een lange brief.
Begin juli 1911 vertrok Lodewyckx met zijn vrouw op een Congoboot naar Afrika. Op briefpapier van het stoomschip, de S.S. Gaika, schreef hij aan Vercoullie: "We genieten tot dusver prachtig weer en de zeereis is heerlijk. Niemand is ongesteld. De 14 emigranten zijn in de beste stemming en zeggen dat zij zich amuseren alsof zij op de kermis waren". Het koppel kwam medio augustus aan in Elisabethstad (nu Lubumbashi), de hoofdstad van de provincie Katanga. Twee weken later bracht hij verslag uit bij Vercoullie:

"Er is hier een beginnende stad ontstaan, waar tien maanden geleden nog niets dan een of twee kafferwoningen te vinden waren. Vele kilometers straten en lanen zijn aangelegd waar een jaar geleden slechts een smalle voetweg door het bos slingerde. Er zijn reeds honderden huizen opgetrokken en aan alle kanten wordt nog gebouwd. De opgaven voor de blanke bevolking verschillen van 1.000 tot 1.500. Er zijn bovendien een paar duizenden zwarten in en bij de stad."
"Al onze Belgische uitwijkelingen zijn aan het werk. De daglonen bedragen gemiddeld 30 fr. voor goede ambachtslieden. Een tiental hunner of meer werken als aannemers enz. voor eigen rekening. Een arbeider kan, als hij wil, met 10 fr. per dag goed leven. Velen doen het voor minder. Er is tegenwoordig maar weinig ziekte en de meerderheid van onze kolonisten zijn tevreden. Zes maanden geleden waren de niet-ambtenaren bijna allen vreemdelingen. Nu zijn de Belgen hier in de meerderheid en van de kolonisten zijn verreweg de meesten Vlamingen."
"De meest uiteenlopende meningen worden hier gehoord over de toekomst van dit land, zowel onder de Belgen als onder de vreemdelingen. Wat mij betreft, ik zie tot dusver geen aanleiding om mijn zienswijze te veranderen. Wat de hoofdzaken betreft, is de inhoud van mijn lezingen ontegensprekelijk de zuivere waarheid, hoewel ik hier en daar wel een en ander zou kunnen wijzigen."

Op 15 februari 1912 meldde Lodewyckx dat hij nog steeds niets over zijn boekje gehoord had. Mocht er een probleem zijn met het vinden van foto's, dan kon de auteur vanuit Katanga zoveel prenten opsturen als Vercouillie wenste ("Er wordt hier zeer veel gefotografeerd"). Hij drong aan op snelle publicatie, omdat de toestand zo snel veranderde, dat sommige details in zijn werk spoedig achterhaald dreigden te worden.

"Gelukkig zijn al de dingen die ik in mijn lezingen over de toekomst gezegd heb, tot dusver volkomen door de feiten bevestigd. Goede ambachts-lieden verdienen meer dan ik gezegd heb. Zij sparen ook meer dan ik voorspeld heb als zij oppassen. Voorbeelden met naam en toenaam zoveel gij wilt. Het klimaat is goed, hoewel er nu enige gevallen tyfeuse koorts zijn. Het sterftecijfer is voor de laatste 10 maanden wellicht lager dan in BelgiŽ. Van al de Belgische vrouwen en kinderen die hier uit BelgiŽ gekomen zijn, ongeveer 100 in getal, is er nog geen enkele in Katanga gestorven. Ik heb al hun namen en teken alles op."

Het boekje over Katanga en Zuid-Afrika, verlucht met enkele foto's, verscheen kort erop. Eind april meldde de auteur dat hij al zijn honorarium (269,50 fr.) ontvangen had maar nog geen boeken. Dat gebeurde pas vier maanden later.
Omdat het gezin Lodewyckx zich toch zorgen maakte over het klimaat in Katanga, besloot het naar de Verenigde Staten te emigreren. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog strandde Augustin in AustraliŽ. Hij vond er werk aan de universiteit van Melbourne en maakte er zich de volgende decennia bijzonder verdienstelijk bij de uitbouw van het departement Germaanse studies. Vanaf 1942 doceerde men er zelfs Nederlands.

  • Biblio: J. S. Martin, Augustin Lodewyckx (1876-1964), Melbourne 2007.
  • Het Liberaal Archief bezit meer dan 350 boeken over de geschiedenis van Kongo. Klik hier voor een lijst.