100 JAAR GELEDEN.
HET EINDE VAN EEN KLERIKALE REGERING


Op 12 april 1907 kondigde premier graaf Paul de Smet de Naeyer in de Kamer het ontslag van zijn klerikale regering aan. Aanleiding was de goedkeuring van een wetsontwerp op de uitbating van de Limburgse mijnen. Progressieven uit meerderheid n oppositie (christen-democraten, socialisten en liberalen) hadden diverse amendementen aanvaard om de mijnwerkers beter te beschermen. Het ging om de invoering van de achturendag, de toekenning van een pensioen en het verbod van ondergrondse arbeid voor vrouwen en voor jongens. De gevraagde overheidsmaatregelen zouden een belangrijke wijziging in de sociale politiek van de regering betekend hebben en daar wilden de excellenties niet van weten. De dag vr de stemming trok de regering het ontwerp in bij KB, onmiddellijk na de goedkeuring van de geamendeerde tekst nam ze ontslag.

Koning Leopold II bevond zich op dat ogenblik aan de Azurenkust. Hij is "zonder overhaasting" via Parijs naar Brussel teruggekeerd, meldde een week later Het Volksbelang, het weekblad van de Gentse Vlaams-liberalen. "Zijne Majesteit schijnt zeer bedaard te blijven tegenover de opwinding van zijn volk".

In een volgend nummer maakte Het Volksbelang de balans op van het uittredende ministerie. Het blad ergerde zich vooral aan het "roekeloos financieel beheer" van de klerikale premier. "Onze openbare schuld, die in 1884 nog 1,5 miljard bedroeg, is tot 3,2 miljard gestegen, dus meer dan verdubbeld. We moeten jaarlijks meer dan 120 miljoen opbrengen alleen voor de intresten van onze schuld".

Ook de belastingen waren de hoogte in gegaan. "De accijns- en tolrechten, die de helft van alle belastingen uitmaken, zijn nagenoeg verdubbeld, nl. ze zijn gestegen van 10 tot 18 frank per inwoner en zo is het vlees een schaars voedingsmiddel voor het volk geworden". Vooral de jenever, "de druppel van de arme werkman", moest de begroting rechthouden. Die belasting bracht de schatkist 75 miljoen op.

Voor openbare werken was er desondanks onvoldoende geld. "De [werken in de] havens van Brussel, Gent en Brugge duren reeds jaren en jaren en de haven van Antwerpen, die zonder nieuwe werken niets meer kan, laat men onaangeroerd. Aan de nieuwe militaire school werkt men al acht jaar en men is het nog niet eens over de gevel. De nieuwe post van Gent [op de Korenmarkt] is al tien jaar in de maak en voor de voltooiing zullen nog wel vier jaar nodig zijn".

Het liberale blad verweet aan de regering ook dat ze het katholieke onderwijs bevoordeelde en het officieel onderwijs verwaarloosde. De intellectuele en morele gevolgen lieten niet op zich wachten, stelde het blad: "Ondertussen groeit het getal ongeletterden aan, de begroting der gendarmerie klimt van 4,5 op 10 miljoen, de brigaden werden verdubbeld en de gevangenissen zitten zo vol dat veroordeelden reeds sedert een jaar hun beurt afwachten om hun straf te doen".

Op 1 mei was Jules de Trooz, uittredend minister van Binnenlandse Zaken, klaar met een nieuw kabinet waarin hij twee christen-democraten opnam. Het aantal departementen werd van acht tot tien verhoogd. Zo kwam er een afzonderlijk ministerie voor Kunsten en Wetenschappen. Ook Openbare Werken kreeg een eigen minister.

Als oppositiekrant was Het Volksbelang (uiteraard) niet onder de indruk van de samenstelling van de nieuwe ploeg. Het blad sprak van een ministerie "van middelmatigheden af tot nulliteiten toe, ja zelfs van lieden die niet eens een bepaalde politieke kleur bezitten". Van dergelijke "waterzooi" viel weinig heil te verwachten. Het artikel besloot: "Laat ons hopen, voor ons goede naam in den vreemde, dat dit ministerie, dat een belediging voor onze parlementaire instellingen verbeeldt, niet alleen een misbaksel , maar ook een miskraam zijn zal".

De regering-De Trooz bleef maar acht maanden overeind, maar tot aan de Eerste Wereldoorlog behield de klerikale partij de meerderheid in het parlement.

top