DE BLAUWE JAREN VAN LOUIS-PAUL BOON

In juli 1945 werd Louis-Paul Boon journalist bij het communistische blad De Rode Vaan, maar hij kreeg moeilijkheden en werd na een jaar ontslagen. De volgende acht jaar had hij het behoorlijk moeilijk om de eindjes aan elkaar te knopen. In die magere tijden werkte hij zelfs mee aan enkele liberale publicaties: De Vlaamsche Gids, De Zweep en Het Laatste Nieuws. Pas in november 1954 vond hij opnieuw een behoorlijke vaste job: hij kon aan de slag bij het socialistische dagblad Vooruit.

Tijdens en onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog verbaasde Louis-Paul Boon de literaire wereld met vernieuwende romans als De voorstad groeit, Abel Gholaerts, Vergeten straat en Mijn kleine oorlog – al werden die boeken geen verkoopsuccessen. Vanaf juli 1945 werkte hij als journalist voor het communistische blad De Rode Vaan, maar vloog er in september 1946 aan de deur. Hij probeerde de volgende jaren vooral van zijn literaire pen te leven, maar dat lukte niet al te best. Zo was hij verplicht opnieuw gevelschilder te worden en deed hij een tijdlang de boekhouding van de wasserij van zijn ouders.
Vrienden zorgden ervoor dat Boon zijn karig inkomen kon aanvullen door voor diverse publicaties te werken. Zo benoemde Jan Schepens hem begin 1948 tot recensent van De Vlaamse Gids. “Geniaal… maar met te korte beentjes” heette Boons rubriek. Met deze titel bracht hij meteen kritiek uit op de traditionele recensenten die elk nieuw boek als een meesterwerk bejubelden, maar zelden de gebreken ervan durfden vermelden. Zelf schreef hij ongezouten zijn mening en dat werd hem niet in dank afgenomen. Hoewel Schepens wel eens een scabreus woord in Boons teksten schrapte, bleef hij hem steeds steunen. “Waar hij de moed vandaan haalde, weet ik zelf niet”, bekende Boon later.
Schepens probeerde de schrijver ook binnen te loodsen in het dagblad Het Laatste Nieuws en het weekblad De Zweep. Hij zou er een rubriek met brave verhaaltjes vullen, desnoods onder pseudoniem, maar uitgever Julius Hoste jr. was niet voor het initiatief te vinden. Bijna twee jaar later, eind 1949, mocht Boon toch meewerken. Daarvoor zorgde Jan Walravens. Deze stond in voor de culturele berichtgeving in Het Laatste Nieuws en de samenstelling van De Zweep. Hij sprak Boon niet alleen aan voor zijn avant-gardeblad Tijd en Mens, maar beloofde hem meteen dat hij (betaalde) kopij mocht leveren aan de twee bladen van Julius Hoste jr. Dat was voor Boon niet onbelangrijk:

Denk nu niet dat ik een laag-bij-de-grondse materialist was. Maar vanaf mijn zeventiende jaar had ik meegewerkt aan allerlei extreem-linkse bladen, en daar nooit een cent voor ontvangen. En nu naderde ik stilaan de veertig jaar en dacht ik: een metselaar of een loodgieter, of een fabrieksarbeider verdienen zoveel per uur, en als dit niet voldoende is om hun huisgezin te redden, gaan ze in staking en willen ze opslag. Ik stond aan hun zijde en gaf ze gelijk. Maar hoe moest dat dan met mezelf? Moest ik dan verdomme mijn leven lang voor nietsniemendal werken?

Onder pseudoniem

Boon schreef in De Zweep onder diverse pseudoniemen en daarvoor vallen diverse verklaringen te bedenken. De traditionele versie luidt dat Hoste niet van de medewerking van een (ex-)communist aan zijn bladen wou weten en dat Walravens alles achter zijn rug moest organiseren, maar Albert Maertens, Hostes rechterhand op Het Laatste Nieuws, spreekt dit tegen. Misschien is er een eenvoudiger uitleg. Boon voelde er wellicht zelf niets voor zijn eigen naam en literaire reputatie te verbinden aan het lichtvoetige proza dat hij om den brode binnenstuurde (alleen al het veelvoudig gebruik van uitroeptekens en drie puntjes in de titels tekenen de sfeer van die verhalen). Bovendien verschenen er geregeld afleveringen met drie of zelfs vier bijdragen van Boon. Om de lezers niet de indruk te geven dat één man het hele blaadje volpende, was het gebruik van diverse pseudoniemen wenselijk.
De eerste publicatie van Boon in De Zweep verscheen eind november 1949 onder het onopvallende pseudoniem “Marc Meenen” (ook wel eens “Menen” en zelfs “Wenen” gespeld). Een maand later startte een feuilleton in 25 afleveringen, Een vrouw heeft lief. Eind januari 1950 introduceerde Boon een tweede pseudoniem, “J. Dharck”, wellicht te lezen als “Jean(ne) d’Arc”. De rest van het jaar 1950 gebruikte hij de twee afwisselend. Begin 1951 dook een vrouwelijk pseudoniem op met dezelfde initialen als zijn eigen naam: “Lea Brandts”. Vanaf eind april stuurde Boon wekelijks een bijdrage binnen, dikwijls twee, soms drie en uitzonderlijk vier. De drie pseudoniemen losten elkaar af. Terloops bezorgde Boon aan Lea Brandts een mannelijke tegenhanger, “Lew Brandon”.
In november 1951 startte Boon met een nieuwe rubriek: Anecdoten van vroeger – Onder het stof der jaren. Het ging om een reeks merkwaardige verhalen uit de geschiedenis. Daarvoor verzon Louis Boon een grappige variant op zijn eigen naam: “Lodewijk Erwt”. Deze leverde slechts een achttal bijdragen. De historische/documentaire rubriek werd later voortgezet onder de ernstiger initialen “J. D.” (te lezen als J. Dharck?).
Vanaf september 1952 verzwakte Boons ijver. Wel leverde Leo Brandt nog een amoureuze roman in 28 afleveringen, Dwaalweg der liefde, Een grote roman van lief en leed onder jonge mensen. In september 1953 zette Boon er een punt achter, nogal abrupt. Zijn laatste bijdrage, met de boventitel “Bewogen liefdeleven van beroemde vrouwen”, suggereerde immers dat hij met een nieuwe reeks zou starten.
Ook Het Laatste Nieuws publiceerde werk van Boon. Zo bracht het blad in 1953 De bende van Jan de Lichte als feuilleton. Het boek verscheen pas vier jaar later.

Voor een overzicht van Boons werk in De Zweep, klik hier.

Bronnen:
– Luc Van den Briele, De Zweepverhalen van Louis Paul Boon, Boek en Bibliotheek 1984.
– Jos Muyres, Een geniale “communist” in een liberaal weekblad, Jaarboek 5 Louis Paul Boon Genootschap, Antwerpen 1988.
- Jos Joosten, Twee literaire vrienden. De relatie tussen Jan Walravens en Louis-Paul Boon, voordracht 13 oktober 1999.
– Albert Maertens, Hetgeen men vergeet…, in: Luc Pareyn (red.), Albert Maertens, Gent/Kobbegem 2001.

Daniël Vanacker