EEN OOGGETUIGE VAN DE PRAAGSE LENTE

In augustus 1968 verbleef de Gentenaar Jan Van Beneden (1943) in Praag, de hoofdstad van Tsjecho-Slowakije, net toen de troepen van het Warschaupact het land binnenvielen om een einde te maken aan de liberalisering van het regime tijdens de “Praagse lente”. De zomer daarvoor had hij tijdens een vakantiecursus Italiaans aan de universiteit van Genua enkele Tsjechische studenten leren kennen, wat leidde tot een eerste bezoek aan Praag tijdens de paasdagen van 1968 en een vervolg in augustus 1968. Van die bewogen dagen hield Van Beneden een dagboek bij, dat hij in 1981 publiceerde. Omdat dit merkwaardige verslag niet meer te vinden is, brengt het Liberaal Archief een tweede, ongewijzigde editie uit.

Een fragment uit de notities van 24 augustus 1968:

“In de stad blijft alles rustig. Slechts twee menu’s in het restaurant. Bier is nog te krijgen, tenminste bij het eten. We bekijken de opschriften op de affiches. Ze getuigen van de oneindige spiritualiteit van dit volk. Op het Wenceslasplein blijft geen vensterraam, geen boom, geen voetpad of kiosk gespaard. Maar ook elders vallen de vele opschriften op die op een sarcastische wijze de grond sieren. De weg naar Moskou wordt gewezen op de muur: 1800 km met een pijl naar het oosten. De andere richtingsaanwijzers zijn zwart geschilderd of zelfs stuk geslagen.”

“Ook de straatnaamborden zijn verdwenen, zelfs de huisnummers. Slechts enkele straatnaamborden zijn nog aanwezig: op streng bewaakte plaatsen. In Bratislava zijn reeds verschillende arrestaties gebeurd met behulp van landverraders. Aldaar werden deze namiddag bij het innemen van de universiteit vijf studenten gewond die een tank wilden verhinderen in het gebouw door te dringen.”

“Wellicht weten de meeste soldaten van de bezetter reeds dat zij op Tsjechisch grondgebied zijn, en niet op Grieks of Oostduits, zoals sommigen bleken te beweren de eerste morgen van de bezetting.”

“Te voet gaan we verder doorheen de stad. Op het explosieve punt, het Wenceslasplein, staat een massa volk de opschriften te lezen op de vensterramen. Mijn persoonlijke tolk vertaalt mij er enkele: ‘Het Russisch circus is terug in Praag’, ‘Lenin herrijs, Bresnjev word gek’, ‘Wij zullen u onderdak geven met een begrafenisdienst’. De galgenhumor vindt men overal terug. Op een door een tank samengevouwen auto staat onder een geschilderde handdruk: ‘vriendschappelijke begroeting’. Men schrijft de aanhef voor het lied der Russische geheime politie NKVD op de muur: ‘Waar is uw huis, waar is uw straat?’ En op het Wenceslasplein prijkt ergens in grote letters ‘Zoo’, met het cynische onderschrift ‘Geen eten geven aan de dieren’. Ondertussen wordt er gekalkt in het midden van de straat en rijden de wagens rond met de pas gekalkte letters die de Russen naar huis wensen.”