LA FLANDRE, QU'ELLE CRÈVE!

"Hadden de liberalen van vroeger zich wat meer met de Vlaamse bevolking opgehouden, haar niet toegeroepen wanneer hongersnood in Vlaanderen heerste: Qu'elle crève! zoals Rogier deed, wij zouden niet zuchten onder de papenregering".

Dat schreef Het Laatste Nieuws op zaterdag 12 december 1896. Het Brusselse blad van Julius Hoste voerde toen een stevige polemiek over de Vlaamse kwestie met L'Opinion. Die Antwerpse krant sprak onmiddellijk tegen dat Rogier zoiets ooit gezegd zou hebben. Maar Het Laatste Nieuws bleef erbij dat de Vlaamsvijandigheid van de liberalen voor Vlaanderen nefast geweest was: "Dit zal L'Opinion niet loochenen, alhoewel zij Karel Rogier, op wiens standbeeldvoet men - in 't Vlaams nogal - gaat beitelen: Redder van Vlaanderen, tracht wit te wassen van de historische beschuldiging die op hem weegt, die hij heeft getracht uit te wissen later, en 't ongelukkig woord dat hem jegens Vlaanderen ontsnapte, poogde te doen vergeten", luidde de reactie op 16 december.
Maar of het citaat authentiek is, blijft onzeker. Een precieze bron is niet bekend. Tegenover de economische crisis in Vlaanderen stond Rogier in elk geval niet onverschillig. In augustus 1846 maakte hij als volksvertegenwoordiger zelfs een rondreis door de Vlaamse provincies om beter ingelicht te zijn over de situatie in de industriecentra en op het platteland. Het vermeende citaat leefde wel decennialang voort in Vlaamsgezinde kringen. Het is zelfs verleidelijk te denken dat de Vlaams-nationale volksvertegenwoordiger Joris Van Severen het parafraseerde toen hij op 29 november 1928 in de Kamer uitriep: "La Belgique, qu'elle crève!" Maar ook hier rijst de vraag of deze uitroep authentiek is. Hoewel men die woorden blijft citeren, zijn ze niet te vinden in de Kamerverslag of de krantenverslagen van eind 1928, zodat het weinig waarschijnlijk is dat Van Severen ze uitgesproken heeft.
"Qu'elle crève" was misschien een simplistische samenvatting van wat Rogier eind 1847 in een rede gezegd had: "De Vlamingen moeten naar de Waalse contreien gaan waar ze beterschap kunnen vinden. Als de Vlaamse vrouwen en meisjes de taal kennen die in de andere delen van het land gesproken wordt [Frans dus], zullen ze gemakkelijker werk vinden als huishoudster, want ze staan bekend voor hun orde en netheid". Maar hij had eraan toegevoegd dat de Walen daardoor Vlaams konden leren en dat het niet zijn bedoeling was Vlaanderen te verwaalsen.
Flaminganten citeerden ook altijd graag een brief die Rogier in 1834 aan minister Jean-Joseph Raikem geschreven zou hebben. Daarin zou staan dat de eenheid van taal essentieel was voor een goed staatsbestuur en dat die taal in België uiteraard het Frans moest zijn. De Gentse advocaat-historicus Leonard Willems ging ooit op zoek naar die brief en vond de eerste vermelding ervan pas in 1866. Hij stelde ook vast dat dit schrijven, als het ooit geschreven was, zeker niet van 1834 kon dateren.
Aan lord Palmerston, de Engelse staatssecretaris voor Buitenlandse Zaken, zou Rogier kort na 1830 gemeld hebben dat de Belgische regering streefde naar de vernietiging van de Vlaamse taal om de fusie met "notre grande patrie" Frankrijk voor te bereiden. Deze brief vond Willems voor het eerst vermeld in 1888. Dit schrijven was zogezegd ontleend aan een Engels boek over Palmerston, maar Willems slaagde er niet in het terug te vinden.
Het ziet er dan ook naar uit dat Rogier de zondebok werd voor de Fransgezindheid van alle Belgische politici van 1830. Zijn verklaring uit 1859 dat de Vlaamse kwestie opgelost was en dat hij niet meer van de Vlaamse Beweging wilde horen spreken - en die tekst is wel authentiek - kwam zijn reputatie uiteraard niet ten goede.

Lectuur: Ernest Discailles, Charles Rogier, 1893-1895; Leonard Willems, Over twee antivlaamse brieven toegeschreven aan minister Rogier, in: Verslagen en Mededeelingen der KVATL 1902; Jef Welkers, "La Belgique? - Qu'elle crève!", Ter Waarheid 1985 en 1986.

top