Terug naar vragenlijst
Blauw in de grote Vlaamse steden ?
(KLIK OP DE ONDERSTREEPTE NAMEN VOOR BIOGRAFISCHE INFORMATIE)

 

Antwerpen

De organisatie van de Antwerpse liberale partij kwam na 1830 slechts langzaam op gang. In tegenstelling tot Gent, waar kort na de onafhankelijkheid een liberale partij groeide vanuit het orangisme, behoorden de eerste burgervaders tot de katholieke strekking: François Verdussen in 1830, opgevolgd door Antonius Dhanis van Cannart van 1830 tot 1831 en vervolgens Gérard Legrelle van 1832 tot 1848.
In 1846 werd de Association libérale van Antwerpen opgericht en na de eerstvolgende gemeenteraadsverkiezingen werd de liberaal Jean-François Loos burgemeester. De opkomst van de Meetingpartij (een coalitie van radicale liberalen, katholieken en flaminganten) in de jaren 1860 gooide echter roet in het eten. De liberalen werden binnen de gemeenteraad in de verdediging gedrongen en Loos nam in 1862 ontslag.
Tussen 1862 en 1864 komen en gaan de burgemeesters ad interim, tot Joseph Van Put in 1864 in naam van de Meetingpartij de burgemeestersjerp overnam. De liberale associatie paste zich aan de nieuwe situatie aan en nam een deel van de programmapunten van de Meetingpartij over. Met de steun van de Vlaamse Liberale Bond, in 1866 afgescheurd van de Meetingpartij, wonnen de liberalen de gemeenteraadsverkiezingen van 1872 en Leopold De Wael werd de tweede liberale burgemeester van Antwerpen. Na twintig jaar bestuur gaf hij de fakkel door aan de meest geliefde burgemeester van de Scheldestad, Jan Van Rijswijck, die het boegbeeld werd van het Vlaamse sociaal-liberalisme en over de partijgrenzen heen op respect en bewondering mocht rekenen.
In 1906 overleed Van Rijswijck en zijn opvolgers kregen het zeer moeilijk om in zijn voetstappen te treden. De opeenvolgende liberale burgemeesters Alfons Hertogs (1906-1908), Victor Desguin (1908-1909) en Jan De Vos (1909-1921) werden eerst in een kartel met de socialisten gedrongen om een bestuursmeerderheid te kunnen behouden en kregen vervolgens af te rekenen met een sterke polarisatie binnen de liberale associatie. De Geuzenbond, de Liberale Vlaamse Bond en later de Liberale Volkspartij kwamen op met afzonderlijke lijsten en de macht van de liberale fractie brokkelde af. De partij plooide terug op haar sterkste bastion, met name de burgerij, en haar kiespubliek kalfde zeer vlug af. In 1921 viel het voorlopige eindvonnis en de liberalen werden verplicht het burgemeesterambt door te geven.
Met uitzondering van de bestuursperiode van de twee katholieke burgemeesters Frans Van Cauwelaert (1921-1932) en Leo Delwaide (1940-1944), werd Antwerpen een rode burcht, bestuurd door achtereenvolgens Camille Huysmans (1933-1940 en 1944-1946), Willem Eekelers (1946-1947), Lode Craeybeckx (1947-1976), Mathilde Schroyens (1976-1982), Bob Cools (1982-1994), Leona Detiège (1994-2003), Patrick Janssens (2003-2012) en Bart De Wever (2013-).
top

*

*      *

Brussel

Het Brusselse gemeentebestuur is sinds 1830 een toonbeeld geweest van liberaal overwicht. Van de onafhankelijkheid tot in 2000, met een onderbreking tussen 1983 en 1994, werd de hoofdstad bestuurd door liberale burgemeesters, van wie meer dan één nationale bekendheid verwierf.
Jean-Nicolas Rouppe (1830-1838) leidde Brussel doorheen de eerste moeilijke jaren en zette de toon voor een stadsbestuur dat zich steeds zeer kritisch zou opstellen tegenover de nationale overheid. Guillaume-Hippolyte van Volxem (1838-1841) en François-Jean Wyns de Raucourt (1841-1848) sloten vervolgens de periode van unionisme af, waarna Charles de Brouckère (1848-1860), André-Napoléon de Fontainas (1860-1863), Jules Anspach (1863-1879), Felix Vanderstraeten (1879-1880) en Karel Buls (1881-1899) het overzicht van de negentiende-eeuwse burgemeesters vervolledigen.
Met Emile de Mot als burgemeester ging Brussel de twintigste eeuw binnen. Deze werd opgevolgd door de ongetwijfeld meest illustere liberale burgemeester, Adolphe Max. Deze volgde de Mot in 1909 op en wist heel snel over de partijgrenzen heen het respect van alle inwoners te verwerven. Zijn moedige houding bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog (hierin bijgestaan door zijn partijgenoot Charles Lemonnier die als burgemeester ad interim gedurende korte tijd het werk van Max overnam) vond internationale weerklank wat hem tot aan zijn overlijden in 1939 van de onvoorwaardelijke steun van alle Brusselse partijen verzekerde. Brussel kende tijdens het interbellum slechts één burgemeester.
Joseph Van De Meulebroeck volgde Max in 1939 op en bleef burgemeester tot 1956. Lucien Cooremans werd het boegbeeld van de Expo '58. Hij werd in 1975 opgevolgd door Pierre Van Halteren. De spanningen tussen de verschillende liberale fracties in Brussel liepen intussen hoog op.
In de loop van de jaren '70 versplinterde de partij in verschillende afzonderlijke kleine partijtjes die met moeite een onderling compromis vonden om de stad verder te besturen. Ondanks een hereniging van de Franstalige liberalen in 1979 werd bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1982 de rekening gepresenteerd. De socialist Hervé Brouhon nam de burgemeestersjerp over en bestuurde tot aan zijn overlijden in 1993 de hoofdstad.
Na een kort interregnum met Freddy Thielemans en Michel Demaret kwamen de Brusselse liberalen in 1994 opnieuw aan de macht met François-Xavier de Donnéa als liberaal burgemeester.
De gemeenteraadsverkiezingen van 2000 bevestigden de liberalen in hun rol als grootste fractie in de Brusselse gemeenteraad. Door de vorming van een coalitie tussen socialisten, groenen en christen-democraten, met de socialist Freddy Thielemans als burgemeester, werden de liberalen echter naar de oppositie verwezen. Na de verkiezingen van 2012 vormde burgemeester Thielemans een coalitie met MR en Open VLD, en gingen de groenen en christen-democraten in de oppositie. Thielemans werd in 2013 opgevolgd door partijgenoot Yvan Mayeur.
top

*

*      *

Gent

(KLIK OP DE ONDERSTREEPTE NAMEN VOOR BIOGRAFISCHE INFORMATIE)

In het orangistische Gent verliep de onafhankelijkheid niet zonder slag of stoot. Joseph Van Crombrugghe, burgemeester sinds 1825, bleef tot 1831 de burgemeesterzetel bezetten tegen de zin van de unionisten in. De gemeenteraadsverkiezingen van oktober 1830 brachten de orangisten aan de macht maar op vraag van de katholieken werden de kiezers in november en nogmaals in december naar de kieslokalen gestuurd. De uitslag bleef overeind maar de nationale overheid weigerde tot 1833 om Van Crombrugghe te herbenoemen. Het rebelse Gent kreeg gedurende deze periode een militair bestuur onder de leiding van generaal Niellon.
Na de gemeenteraadsverkiezingen van 1836 werd de kleurloze Jean-Baptiste Minne-Barth tot burgemeester benoemd. Bij de gedeeltelijke vernieuwing van de gemeenteraad in 1839 verdween Minne-Barth en Joseph Van Crombrugghe nam als gematigd liberaal de burgemeestersjerp over. Na de gemeenteraadsverkiezingen van 1842 werd hij opgevolgd door Constant de Kerchove de Denterghem, die mee aan de wieg zou staan van de in 1848 opgerichte Gentse Liberale Partij. In 1854 werd hij opgevolgd door de liberaal-katholiek Judocus Delehaye, die na korte tijd (in 1857) werd vervangen door Charles de Kerchove de Denterghem. Deze bleef burgemeester tot 1882, wanneer hij werd opgevolgd door zijn schoonzoon Hippolyte Lippens. In 1895 werd deze opgevolgd door Emile Braun die op post bleef tot 1921. Alfred Vanderstegen nam dan zijn taak over.
In 1941 nam oorlogsburgemeester Elias de macht over en na de oorlog kwam voorlopig een einde aan meer dan een eeuw liberaal burgemeesterschap. Na een kort (1944-1946) socialistisch interregnum met Edward Anseele jr. (wiens vader dezelfde functie had vervuld in 1918), konden de katholieken voor het eerst sinds 1830 een burgemeester leveren. Emile Claeys was burgemeester van 1946 tot 1952. Van 1952 tot 1958 is Laurent Merchiers de tot op heden laatste liberale burgemeester van Gent. In 1958 nam de CVP opnieuw het roer over met Emile Claeys (1958-1970), Geeraard Van den Daele (1970-1976), Placide De Paepe (1976-1982) en Jacques Monsaert (1982-1988). Na hen volgden de socialisten Gilbert Temmerman (1988-1994), Frank Beke (1994-2006) en Daniël Termont (sinds 2006).

top