terug naar "Blauw in de grote Vlaamse steden ?"
terug naar alfabetisch overzicht

Klik op de afbeeldingen om te vergroten.
Alle foto's uit de fotocollectie van het Liberaal Archief

Emile BRAUN


In 1895 zette Hippolyte Lippens definitief een punt achter zijn loopbaan als burgemeester van Gent. De invoering van het algemeen meervoudig stemrecht voor mannen in 1894 lag weliswaar in de lijn van zijn persoonlijke progressieve visie (die hij in de daarop volgende jaren nog voldoende zou bewijzen in de Senaat), maar voor het nieuwe kiespubliek vertegenwoordigde hij in te grote mate het ‘ancien regime’ met zijn autoritaire kaste van cijnskiezers. Lippens werd niet herkozen en werd opgevolgd door een inwijkeling uit Nijvel, die ontegensprekelijk de perfecte keuze bleek te zijn voor dit nieuwe tijdperk.

Emile Braun werd geboren op 2 december 1849 als zoon van Thomas Braun, een leerlooier die via zelfstudie onderwijzer was geworden, zich had opgewerkt tot schooldirecteur en in 1875 door de regering was benoemd tot inspecteur-generaal van de lagere scholen en normaalscholen. Emile Braun toonde zich een ijverig student en behaalde in 1873 het diploma van burgerlijk ingenieur aan de Gentse Ecole du Génie Civil, waarna hij te Luik aangesteld werd als ingenieur bruggen en wegen bij de staatsspoorwegen. Nog geen twee jaar later verliet hij Luik echter en aanvaardde een functie als ingenieur bij de technische dienst van de stad Gent. Burgemeester Charles de Kerchove, die grootse urbanisatieplannen koesterde voor Gent, vond in Braun een geestesgenoot en promoveerde hem in 1879 tot hoofdingenieur van de stad. Samen zetten ze zich in voor de goedkeuring van het zogenaamde Zollikofer-de Vigneplan dat Gent een nieuwe aanblik zou moeten geven. Verzet in de gemeenteraad blokkeerde echter het hele dossier. In 1882 werd Charles de Kerchove opgevolgd door Hippolyte Lippens, die er uiteindelijk wel in slaagde om het plan door de gemeenteraad te sluizen en de werken werden aangevat. Als vertrouweling van Lippens coördineerde Braun de implementatie van het plan en zorgde zelf voor de nodige of gewenste aanvullende bouwwerken. Gedurende tien jaar zette hij zich met hart en ziel in voor de heraanleg van de as Zuidkwartier-Centrum en droomde intussen van een vervolgproject dat hem zou toelaten ook het stadscentrum zelf, de buitenwijken en de haven te renoveren en moderniseren.

Emile Braun, burgemeester van GentDe politieke evolutie zette hem echter tijdelijk op een ander spoor. De opkomst van de progressisten en vervolgens de socialisten, gecombineerd met het onmiskenbaar dichterbij komen van een grondige herziening van het kiesstelsel, dwong de Gentse liberalen tot een algehele vernieuwing. Onder leiding van Lippens werd een begin gemaakt met het verbreden van zowel het programma als de electorale basis waarop de partij in de toekomst zou steunen en ook Braun werd hierbij betrokken. Lippens zag in Braun immers niet alleen een ideale schepen van openbare werken maar ook een potentieel stemmenkanon die een brug zou kunnen slaan tussen de traditionele cijnskiezers en de grote massa. Als test werd geopteerd voor de aanvullende provincieraadsverkiezingen van 1891. Emile Braun kwam uit tegen Felix Cambier, die in 1881 tot gemeenteraadslid voor de liberalen was verkozen maar in 1891 de overstap had gemaakt naar de radico-socialisten van Anseele. Braun haalde 4.025 stemmen tegenover 2.098 voor Cambier en nam zijn eerste politiek mandaat op. De gedeeltelijke provincieraadsverkiezingen van 1892 bevestigden zijn populariteit: Braun haalde het hoogste aantal naamstemmen en zette zijn mandaat verder tot 1898. De gemeenteraadsverkiezingen van 17 november 1895 waren voor hem echter een stuk belangrijker. Braun haalde een schitterende score door het hoogste aantal naamstemmen in de tweede reeks binnen te halen. Voor de liberale partij in haar geheel betekende de verkiezing echter een drastisch keerpunt. Ze verloor haar absolute meerderheid in de gemeenteraad en moest genoegen nemen met een tweede plaats achter de socialisten, die dankzij de vier zetels die ze behaalden in de aanvullende verkiezingen voor de Nijverheids- en Arbeidersraden, de grootste fractie werden. Anseele eiste dan ook de vorming van een evenredig samengesteld schepencollege maar de katholieken verklaarden zich bereid een liberaal minderheidscollege te steunen. De liberalen Octave Bruneel, Julius De Vigne, Remi De Ridder, Charles Boddaert en Marc Baertsoen werden tot schepen verkozen en Emile Braun volgde Hippolyte Lippens op als burgemeester. Deze situatie werd met de onvermijdelijke up’s en downs in stand gehouden tot 1908. Na de verkiezingen van 20 oktober 1907 brachten de socialisten echter de kwestie van de schoolsoep of de kosteloze schooleetmalen in de volkswijken op de agenda van de gemeenteraad. Liberalen en socialisten waren het er over eens dit te beperken tot de leerlingen van het officieel onderwijs, wat op een onverzettelijke weigering van de katholieke fractie botste. Braun weigerde echter toe te geven en op 6 januari 1909 zegden de katholieken hun vertrouwen in het minderheidscollege op. De socialisten hernieuwden hun voorstel tot evenredige vertegenwoordiging in het schepencollege en niet de liberalen maar de katholieken gingen onmiddellijk op dit voorstel in. De katholieke Alfons Siffer en Aloïs Van de Vijvere en de socialisten Eduard Anseele en Felix Cambier werden verkozen tot schepen, terwijl het vijfde schepenambt voorlopig onbezet bleef. Om de drie maanden poogde men de liberalen te overhalen om deze vijfde zetel in te vullen, doch Braun weigerde om in een evenredig samengesteld college te zetelen. De burgemeesterstoel bleef dan ook onbezet en Braun ging zetelen als gewoon gemeenteraadslid. De vier schepenen namen dan maar om beurt de bevoegdheden van de vijfde zetel op zich en Siffer werd aangesteld tot dienstdoend burgemeester.

De druk op de liberalen werd in de loop van 1910 steeds verder opgevoerd. In de Commissie voor Burgerlijke Godshuizen namen katholieken en socialisten de mandaten van enkele liberale zwaargewichten (onder meer Gustave Van Loo en Camille De Bast, voorzitter van de Zonder Naam niet Zonder Hart) over en de vacante vijfde schepenzetel werd toegewezen aan de katholiek Gustave Eylenbosch. In de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van 22 oktober 1911 gaven de liberalen zich uiteindelijk gewonnen en verklaarden bereid te zijn om in een gedeeld bestuur te zetelen. Reeds in 1910 werden besprekingen geopend met de socialisten over de vorming van een paars kartel maar de perikelen rond het wetsontwerp Schollaert met betrekking tot de subsidiëring van het lager onderwijs bracht de zaken in een eerste stroomversnelling. In navolging van de antiklerikale kartels die doorheen België tot stand kwamen, gingen beide fracties reeds voorafgaand aan de verkiezingen van oktober de facto samenwerken. Op 26 juni 1911 kondigde Braun aan zijn burgemeesterschap weer op te nemen en bij de stemming in de gemeenteraad met betrekking tot de vervanging van de katholieke schepen Aloïs Van de Vyvere (die ontslag had moeten nemen na zijn benoeming tot minister in de regering de Brocqueville) ging de zetel naar de liberaal Maurice De Weert, waardoor een tijdelijke tripartite ontstond. Op 29 juli 1911 kondigden Braun en Anseele na een samenkomst van de twee partijbesturen het kartelakkoord aan en wonnen probleemloos de verkiezingen van 22 oktober. In de nieuwe gemeenteraad zetelden nu zeventien liberalen, vijftien socialisten en zeven katholieken. Het schepencollege bleef onder leiding staan van burgemeester Braun en telde daarnaast nog twee liberalen (Maurice De Weert en Camiel De Bruyne), twee socialisten (Edouard Anseele en Jean Lampens) en een progressist (Felix Cambier). Dit college bleef aan de macht tot 28 maart 1918, datum waarop de Duitse bezetter de schepenen verving door leden van de Raad van Vlaanderen.

Emile BraunNog meer dan onder zijn voorgangers veranderde Gent tijdens Braun’s ambtstermijn van aanschijn. Nieuwe straten zoals de Belfortstraat, de Baudeloostraat en de Kunstlaan werden getrokken, bruggen waaronder de Verlorenkost- en de Minnemeersbrug werden gebouwd en de stad werd de Nederlandse Schouwburg, het Museum voor Schone Kunsten en het Sint-Pietersstation rijker. In de zogenaamde Kuip van Gent was de transformatie echter het meest opvallend. Het Belfort, de Sint-Baafskathedraal en de Sint-Niklaaskerk werden ontdaan van de huizen die er tegenaan waren gebouwd en ook de kleine straatjes die de tussenliggende pleinen in de loop der eeuwen hadden ingepalmd, verdwenen. Met de restauratie van deze drie gebouwen werd een aanvang genomen en ook voor de Achtersikkel, het stadhuis, het Gravensteen, de Graslei, de Koornlei en het Veerleplein werd een restauratieplan uitgevoerd. De wijken rond de Vrijdagmarkt, de Muinkkaai, Meerhem, Terplaten, de Heirnis, het Van Duyseplein, Sint-Pieters-Aaigem en Sint-Pieters-Aalst werden gesaneerd en heraangelegd. Naast de herwaardering van het Gentse historisch erfgoed diende zich ook de noodzaak aan om de publieke voorzieningen op een twintigste-eeuws niveau te brengen. Productie en distributie van elektriciteit, water en gas werden ondergebracht in stedelijke of gemengde regieën en de stad nam ook de verantwoordelijkheid op zich voor onder meer afvalophaling, stadsreiniging en ruimdiensten. Naar mobiliteit toe introduceerde Braun de elektrische tram in Gent, die uitgebaat werd door de private onderneming Tramways électriques de Gand. Bij dit alles kreeg Braun de nodige steun van zijn persoonlijke vriend Paul de Smet de Nayer, Gentenaar en katholiek minister van Openbare Werken tussen 1899 en 1907. De Wereldtentoonstelling van 1913 te Gent, die voor Braun de bekroning was van meer dan dertig jaar dagelijkse inzet, bood de bezoeker dan ook een stad aan die vanuit historisch, toeristisch en urbanistisch oogpunt een voorbeeld voor Europa mocht worden genoemd. Op 11 januari 1914 werd Braun als sluitstuk van de expo gehuldigd en werd zijn borstbeeld, gebeeldhouwd door George Minne, op het stadhuis onthuld.

Het economisch karakter van de stad werd bij dit alles uiteraard niet uit het oog verloren. Braun richtte zijn aandacht op dit terrein in eerste instantie op de haven, waarover hij reeds in 1881 een studie had geschreven (Gand et ses installations Maritimes). In 1900 werd begonnen met het graven van het Grootdok en zijn drie zijdokken en in 1910 kon in Terneuzen een nieuwe sluis voor schepen tot 10.000 ton in gebruik worden genomen. Ook als parlementslid (Braun zetelde in de Kamer van Volksvertegenwoordigers van 1900 tot 1925) waakte hij nauwlettend over de Gentse belangen. In zijn tussenkomsten, die zelden van politieke aard waren maar veeleer de pragmatische stempel droegen van een burgemeester van een grote stad, pleitte hij voor economische expansie via de Gentse haven en industriezones en zocht hij de nodige middelen om een eigen stedelijk beleid te kunnen voeren. De ondernemingswereld zelf was Braun ook niet vreemd. Hij was medestichter en voorzitter van de raad van beheer van de textielfabrieken La Savannah en Filature de Royghem en van het energiebedrijf Ghent Petroleum Company en zetelde als beheerder in het bestuur van nog een tiental andere bedrijven en kredietmaatschappijen. Zijn kinderen en kleinkinderen zouden in de daaropvolgende eeuw vooral zijn belangen in de textielindustrie verder uitbouwen en werden centrale figuren in de ontwikkeling van de Union Cottonière of UCO.

Emile BraunIn 1914 werd deze geschiedenis van expansie en vernieuwing abrupt afgebroken. De Duitse inval, die gepaard ging met zware vernielingen, zette Braun aan tot snelle actie. Hij reed de Duitse troepen tegemoet en ontmoette de Duitse generaal Böhm in Oordegem, een kleine gemeente tussen Wetteren en Lede. Mits het betalen van een losgeld aan de bezetter werd Gent tot open stad verklaard en ontsnapte de stad aan een beschieting. Het door de Duitsers geëiste ‘losgeld’ – weliswaar slechts een voetnoot in de geschiedenis – mag hier toch kort worden omschreven. Het ging hier immers, naast de evidente eis dat de Burgerwacht haar wapens en munitie inleverde, om een betaling in natura, waarbij sommige items voor een zekere ‘couleur locale’ zorgden. Hoog op het lijstje stond uiteraard voedsel voor de paarden (honderdvijftig ton haver), gevolgd door vervoermiddelen (honderd fietsen, tien motorfietsen en vijfentwintig binnenbanden voor auto’s) en medisch materiaal (vierhonderd meter verband, twintig kilogram watten en twintig dozen sublimaatpillen). De lijst werd vervolledigd met honderd liter mineraalwater, tienduizend liter bier en niet minder dan honderdduizend sigaren …..

Het leven in de bezette stad was uiteraard minder pittoresk dan wat Oordegem laat uitschijnen. Samen met schepen Maurice De Weert nam Braun het roer stevig in handen en laveerde tussen de Duitse eisen en de Gentse noden in, waarbij hij een efficiënte buffer werd tussen de bewoners en het garnizoen. Ter verlichting van de vele noden richtte hij Les Oeuvres de Philantropie et de Dévouement op en ook via de stadsdiensten werd al het mogelijke voor de bevolking gedaan. Zich als burgemeester handhaven in deze periode vroeg uiteraard veel compromissen en aanvaarding, en dit liep vrij goed tot 1918. De eis van de Duitsers om de aktivistische Raad van Vlaanderen te erkennen pareerde Braun immers met een eigen motie die in de gemeenteraad werd goedgekeurd en elke erkenning van de legitimiteit van deze Raad verwierp. Braun en De Weert werden naar het Duitse Celle bij Hamburg gedeporteerd en pas na de oorlog opnieuw vrijgelaten. De socialist Anseele nam na de oorlog tijdelijk het Gentse burgemeesterschap op zich tot Braun op 2 december 1918 zijn plaats terug innam. De wijze waarop hij de stad voor vernietiging en plundering had behoed en taai weerstand had geboden aan de Duitse eisen, maakte van Braun ongetwijfeld de populairste burgemeester die de stad ooit had gehad. Met ‘Miele Zoetekoeke’ als koosnaam was zijn plaats in de Gentse annalen verzekerd.

Zijn gevorderde leeftijd en zijn gezondheidsproblemen die na zijn gevangenschap acuut waren geworden, zorgden ervoor dat het einde van zijn loopbaan als burgemeester in zicht kwam. Bij de verkiezingen in 1921 lanceerde hij Alfred Vander Stegen als zijn opvolger waarna hij uit de gemeenteraad verdween. Een jaar later werd hij door de koning in de adelstand verheven en kreeg de titel van baron toegewezen. In 1925 verliet hij eveneens het parlement en trok zich terug in een kuuroord in het Franse Vichy waar hij op 30 augustus 1927 overleed. Hij werd begraven op de Gentse Westerbegraafplaats waar een sobere familiekelder zijn laatste rustplaats werd.

De nagedachtenis aan Emile Braun werd in Gent duidelijk levend gehouden. De stadsschool in de Volderstraat werd omgedoopt tot Emile Brauninstituut en het door hem vrijgemaakte plein tussen het Belfort en de Sint-Niklaaskerk werd het Emile Braunplein. In Gentbrugge werd eveneens een straat naar hem genoemd maar na de gemeentefusies van 1976 werd de naam gewijzigd in de Valerius De Saedeleerstraat. Het standbeeld en de gedenkplaat op het Braunplein kwamen er echter niet zonder discussie. Reeds in oktober 1927 keurde de gemeenteraad de oprichting van een monument en de bijbehorende herinrichting van het pleintje goed. Er werd een budget van honderdvijfentwintigduizend frank uitgetrokken en men ging op zoek naar een kunstenaar. Een aantal kunstwerken werden afgewezen, tot George Minne aanbood om een bestaand kunstwerk, de Bron der Geknielden (die ook in de tuin van het parlement is terug te vinden) ter beschikking te stellen. Dit monument, in de Gent bedacht met de bijnaam ‘de Pisserkes’, kon bij weinigen op veel enthousiasme rekenen maar werd aanvaard ‘bij gebrek aan beter’. Hiermee was de kous echter nog niet af. De socialisten verklaarden intussen bereid te zijn om het budget vrij te geven, op voorwaarde dat een vergelijkbaar bedrag werd gestort in een fonds ten voordele van de jonge werklozen, een eis waar de liberalen uiteindelijk ingingen. De communistische fractie weigerde botweg het plan goed te keuren gezien de rol die Braun volgens hen had gespeeld in de onderdrukking van de Gentse arbeiders. Minne besloot uiteindelijk om het monument aan de stad te schenken, waarna de liberale en de katholieke gemeenteraadsleden het definitieve plan goedkeurden. Het monument op zich was echter niet geschikt om een gedenkplaat op aan te brengen, wat opnieuw voor de nodige vertragingsmanoeuvres zorgde. Stadsarchitect Karel Bar ontwierp tenslotte het bijbehorende monument waarop de herdenkingsplaat, ontworpen door Karel De Cock, werd bevestigd. Voor de gedenkplaat zelf was helaas geen budget meer voorzien en de familie Braun droeg dan maar zelf deze kosten.

Braun ging de Gentse geschiedenis in als de laatste echte burgervader in de klassieke zin van het woord. Geen van zijn opvolgers bereikte nog de populariteit die Braun eigen was of kon de politieke passies binnen de stad nog zo hoog doen oplopen. Als een pragmatische liberaal ‘pur sang’ sloot Braun dan ook een belangrijke periode in de Gentse geschiedenis af.

Bart D'hondt

Zie ook: De Koningin Ontbloot ?
Over het monument van Emile Braun.
Klik hier voor meer foto's van Emile Braun.

Illustraties
Een foto van Emile Braun opgedragen aan zijn vriend Alfred Vander Stegen (1869-1959).
Burgemeester Emile Braun met schepenen en leden van de gemeenteraad op de trappen van het Gentse stadhuis (1921).
Herdenkingsfoto n.a.v. de huldiging van Emile Braun in januari 1914.