terug naar alfabetisch overzicht
Klik op de afbeeldingen om te vergroten.
Alle foto's uit de fotocollectie van het Liberaal Archief

Gustave CALLIER


Het stedelijk onderwijs is in liberaal Gent steeds een prioriteit geweest. De snelheid waarmee in de tweede helft van de negentiende eeuw een uitgebreid netwerk van stadsscholen ontstond, dwingt nog steeds bewondering af. Voortbouwend op het werk van de twee eerste Gentse schepenen van openbaar onderwijs, August Van Lokeren (1848-1854) en Jules de Saint-Genois (1855-1857), werd Gustave Callier de grote bezieler van het volksonderwijs. (Klik hier voor een overzichtslijst van de Gentse schepenen van Onderwijs van 1848 tot nu).

Buste G. Callier - Liberaal ArchiefGustave Callier werd geboren op 18 februari 1819 als zoon van een bemiddeld koopman. Hij studeerde aan het Gentse atheneum op de Ottogracht en verliet in 1837 als primus de retorica. Op de grote prijsuitreiking in de aula van de universiteit viel hem, als beste van zijn jaar, de eer te beurt om de aanwezige ouders en prominenten toe te spreken. De jongeman weigerde zich echter te beperken tot de klassieke woorden van dank. Tot de verbijstering van zijn publiek hield Callier een vurig pleidooi voor algemeen verplicht lager onderwijs. Dit vooruitgangsoptimisme nam hij mee naar de universiteit waar hij in 1838 geschiedenis en filosofie ging studeren. Daar ontmoette hij de jonge Franse professor in de filosofie François Huet, die een onuitwisbare stempel op hem zou drukken. Callier studeerde in 1842 af en ging aan het werk als assistent van Huet, met wie hij in 1846 de vermaarde Société Huet oprichtte. Deze debatgroep bracht professoren en oud-studenten van de Gentse universiteit samen rond een progessief-liberaal gedachtengoed. De leden discussieerden er over een verbreding van de democratie, over de vrijheidsidealen, over de christelijke moraal en over sociale rechtvaardigheid. Ze ijverden voor een geleidelijke invoering van het algemeen stemrecht via een tussenfase met bekwaamheidskiesrecht, ze geloofden naar analogie met de Griekse wijsgeren in het op termijn verdwijnen van de monarchie en haar vervanging door een republiek. De scheiding tussen kerk en staat was voor hen een prioriteit. Dat bracht hen rechtstreeks in aanvaring met de Gentse clerus, een vijand die Callier voor de rest van zijn dagen zou moeten weerstaan. Hij leerde er de meest erudiete liberalen van het midden van de 19de eeuw kennen. Hij werkte er samen met onder meer Emile de Laveleye, Jean Stecher, Paul Voituron, Alexis Dumont, Henri Moke, Charles Waelbrouck, Jean Molitor, César Fredericq en vele anderen. Als in 1848 het dagbladzegel (de belasting die werd geheven op het uitgeven van een krant) werd afgeschaft, begon de Société met de uitgave van twee periodieken. Het tijdschrift La Flandre Libérale (niet te verwarren met het dagblad met dezelfde naam dat pas 30 jaar later op de markt kwam) beoogde een verspreiding van hun ideeëngoed onder de Franstalige burgerij, het Nederlandstalige tijdschrift de Broedermin verspreidde hun democratiseringsgedachte onder de middenklasse, wat logischerwijze als bedreigend werd beschouwd. De regering onder Charles Rogier, die door hen verweten werd te conservatief te zijn, maakte een einde aan de activiteiten van deze “revolutionaire” vereniging. Huet werd met een gouden handdruk terug naar Frankrijk gestuurd, de leden werden aangemaand om hun plaats in de klassieke maatschappij in te nemen en de groep viel in 1850 uit elkaar. De regering was zich echter heel goed bewust van de individuele capaciteiten van de verschillende leden. Ze werden via benoemingen verspreid over geheel België, maar bleven een stuwende kracht achter de progressieve liberale beweging van hun tijd, onder meer via de Société littéraire gantoise, waarin Callier de hoofdrol speelde.

Gustave Callier bleef in Gent. Hij werd in 1853 getroost met een benoeming tot buitengewoon hoogleraar filosofie, waarbij hij de opvolger werd van Huet, en hij werd in 1860 gewoon hoogleraar met als vakgebieden Metafysica, Zielkunde, Zede- en redeleer en Geschiedenis van de wijsbegeerte. Als professor bleef hij zijn geweten volgen. De aanvallen van de clerus bleven duren, maar Callier werd er enkel koppiger door. Hij schafte in zijn lessen het klassieke ex cathedra-doceren af en organiseerde echte debatlessen, waarbij studenten en professor de discussie aangingen over de waarde en inhoud van de klassieke filosofische denkbeelden.

In 1856 kwam hij in de politiek terecht. Hij stelde zich kandidaat voor de gemeenteraad, werd verkozen en kreeg in 1858 een schepenambt toegewezen. Onder zijn bevoegdheid vielen financiën, comptabiliteit en belastingen, schone kunsten, maar bovenal openbaar onderwijs. Voor Callier was het moment aangebroken om zijn denkbeelden in de praktijk om te zetten. Als hij de emancipatie van de grote massa wou bevorderen en de idealen van de Société Huet wou verspreiden, kon hij nu handelen. Op vijf jaar tijd slaagde hij erin om vijftien nieuwe stadsscholen te openen of uit te breiden met nieuwe afdelingen en om de basis te leggen voor het huidige netwerk van het stedelijk onderwijs. Gent werd hierdoor op het vlak van het officieel onderwijs koploper in België. Op vier jaar tijd verdubbelde het aantal leerlingen in de gratis scholen en het aantal leerkrachten steeg van 87 naar 194. Ook voor deze laatsten verbeterde de situatie onder Callier. Enerzijds werd hun loon flink opgetrokken en werd een opvang voor gepensioneerde leerkrachten georganiseerd, anderzijds werd hun opleiding aangepakt. Voor onderwijzeressen bestond reeds geruime tijd een normaalschool in Gent, onder Callier komt een vergelijkbare normaalschool voor onderwijzers tot stand, waardoor vanaf 1865 kon gerekend worden op een professioneel opgeleid lerarenkorps. Weliswaar eerder symbolisch, maar toch getuigend van zijn consequente houding op het vlak van zijn emancipatiefilosofie, was ten slotte het laatste agendapunt bij de voorstelling van zijn beleidsplan in februari 1858. Met eenparigheid van stemmen keurde de gemeenteraad immers de motie goed waarin werd voorgesteld de leerplicht bij wet op te leggen, een idee dat Callier reeds in 1837 had verdedigd. Zijn enthousiasme werkte aanstekelijk en anderen sprongen hem dan ook bij. De liefdadigheidskring Zonder Naam niet Zonder Hart bijvoorbeeld besloot in 1859 om een nieuwe school aan de stad te schenken en schonk 10.000 fr. voor de bouw van een gratis lagere school in de Sint-Machariuswijk. Enkele jaren geleden werd deze school afgebroken en vervangen door het Trappenhuis, in de gevel werd enkel de oorspronkelijk gedenksteen van de Zonder Naam niet Zonder Hart bewaard. Een klein detail mag hierbij als slot worden vermeld: een van de door Callier gebouwde stadsscholen was de gratis school voor jongens op het Klein Sint-Pietersplein, het huidige Kramersplein, waarin momenteel het Liberaal Archief is gehuisvest.

graf G. Callier op Westerbegraafplaats GentOp 9 september 1863 kwam Callier plots te overlijden. Getrouw aan zijn overtuiging werd hij burgerlijk begraven. Zijn geschillen met de clerus bereikten hierbij een nieuw hoogtepunt. Hij werd immers op het kerkhof aan de Dampoort begraven in gewijde grond, wat de Gentse bisschop onmogelijk kon aanvaarden. De kwestie leidde tot parlementaire discussies in Kamer en Senaat, maar liepen uiteindelijk op een sisser uit.

Zijn nagedachtenis werd op verschillende manier levend gehouden. Zijn beide zonen Albert en Hippolyte drukten hun vaders voetstappen en speelden een belangrijke rol in de politiek en in de verspreiding van het liberalisme. Zo waren zij onder meer de drijvende krachten achter de oprichting en redactie van de krant La Flandre Libérale. Beiden waren ook gehuwd met een dochter van François Laurent, die de onderwijsstrijd van Callier zou verderzetten. Onder impuls van diezelfde Laurent werd in 1868 de Société Callier opgericht, die gedurende vele decennia zou instaan voor een groot deel van de fondsenwerving voor het Gentse volwassenenonderwijs. De school in de Nieuwebosstraat kreeg zijn naam en een herdenkingssteen werd in de inkomhal onthuld. In 1906 kreeg het verlengde van de Dierentuinlaan zijn naam. Bij de sluiting van het kerkhof aan de Dampoort tenslotte, werd zijn stoffelijk overschot overgebracht naar de Westerbegraafplaats, waar in het park een eenvoudig grafmonument werd opgetrokken. Hij werd er herbegraven in een familiekelder waar, naast zijn twee zonen, ook François Laurent een laatste rustplaats vond.

Bart D'hondt

 

Illustraties:
Borstbeeld van Gustave Callier bewaard op het Liberaal Archief.
Grafmonument van Callier op de Westerbegraafplaats te Gent.