terug naar "Blauw in de grote Vlaamse steden ?"
terug naar alfabetisch overzicht

Klik op de afbeeldingen om te vergroten.
Alle foto's uit de fotocollectie van het Liberaal Archief

Constant DE KERCHOVE DE DENTERGHEM


Constant de Kerchove werd geboren te Gent op 31 december 1790 als zoon van Jean de Kerchove en Sabine della Faille d’Assenede, beiden afkomstig uit de rijke Vlaamse grondadel. De familie overleefde ternauwernood de eerste jaren van de Franse bezetting (1794-1804) maar het tij keerde onder Napoleon. Zijn oom, Jozef-Sebastiaan della Faille d’Assenede, werd burgemeester van Gent en in 1810 vervoegde Constant de Kerchove het leger van Napoleon. Hij nam deel aan de militaire campagnes in Spanje en Duitsland en zwaaide in 1814 af als eerste luitenant van het 22ste regiment jagers te paard. Hij vestigde zich als rentenier te Gent, werd commandant van de cavalerie van de Burgerwacht en huwde in 1816 met de gefortuneerde Pauline de Loose.

Onder het Hollands regime zette hij zijn eerste stappen in de politiek. In 1822 werd hij plaatsvervangend afgevaardigde bij de Provinciale Staten en vanaf 1829 ging hij effectief zetelen. Van 1824 tot 1830 was hij eveneens burgemeester van Wondelgem, waar hij enkele jaren voorheen een buitenverblijf had gekocht en in 1825 werd hij door koning Willem I in de adelstand verheven. Zijn goede verstandhouding met het Nederlandse regime bracht hem na de Belgische onafhankelijkheid van 1830 resoluut in het orangistische kamp. In december 1830 ondertekende hij de petitie aan het Nationaal Congres waarin gevraagd werd de prins van Oranje tot koning van België uit te roepen en in 1836 stortte hij het op een na hoogste bedrag bij de orangistische poging om de rijpaarden van de Nederlandse prins Frederik, die in Brussel waren achtergebleven en werden geveild, terug te kopen als geschenk voor de prins. De Gentse orangistische beweging vond in Constant de Kerchove dan ook een geëngageerd medestander en bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1836 werd hij probleemloos verkozen op de lijst van de Société des Amis de l’Ordre et du Repos Public, de orangistische lijst van onder meer Charles d’Hane-Steenhuyse, Hippolyte Metdepenningen, Jean-Baptiste Minne-Barth en Joseph Van Crombrugghe. Een jaar later werd hij benoemd tot schepen en tot lid van het Bureel der Weldadigheid, waarvan hij in 1841 voorzitter werd.

Constant de KerchoveEen jaar later overleed de Gentse burgemeester Van Crombrugghe. Op 19 juni 1842 werd Constant de Kerchove door de koning benoemd tot de nieuwe burgemeester van Gent, maar een veeleer gedesinteresseerd gemeentecollege stelde de installatievergadering uit tot 2 juli. Reden hiervoor dient naar alle waarschijnlijkheid te worden gezocht in het profiel van de Kerchove zelf. Met Minne-Barth en Van Crombrugghe had de groep rond Metdepenningen reeds twee gematigde orangisten als burgemeester moet dulden en de hoop op de benoeming van een radicaal figuur leefde nog bij velen. De aanstelling van de intussen eveneens gematigde de Kerchove zal dan ook weinig enthousiasme in hun gelederen hebben teweeg gebracht. De gedeeltelijke verkiezingen voor de gemeenteraad van oktober 1842 betekenden opnieuw een overwinning voor de orangisten, die zich steeds duidelijker als liberalen gingen profileren en in 1843 de eerste echte kieskring te Gent oprichtten: de Provinciale Kiesvereniging. Aan het hoofd kwam Charles d’Hane-Steenhuyse te staan maar vele Gentse toppolitici, waaronder Constant de Kerchove, ontbraken vreemd genoeg in dit eerste bestuur. Ook in de in 1848 opgerichte opvolger van de Provinciale Kiesvereniging, de Liberale Grondwettelijke Vereniging van Gent, speelde hij geen rol van betekenis. De reden hiervoor lag voor de hand. In de loop der jaren was hij immers meer en meer het boegbeeld geworden van de eerder conservatieve liberaal-katholieken (waartoe ook figuren zoals Joseph Guislain en Jules de Saint-Genois behoorden), die gezien de politiek woelige periode door zowel klerikalen als antiklerikalen als brugfiguren werden aanvaard.

Doorheen deze politieke strubbelingen bleef de Kerchove tot 1854 burgemeester van een stad die op de rand van de verpaupering balanceerde. De algemene economische crisis, in de hand gewerkt door onder meer de mislukte aardappeloogst van 1845 en de mislukte roggeoogst van 1846, de vrieswinter met de bijbehorende broodrellen in 1847, de woelingen in het revolutiejaar 1848 en de cholera-epidemie van 1849 die in Gent meer dan tweeduizend slachtoffers maakte, determineerden zijn bestuursperiode. Desondanks slaagde de Kerchove erin om aan toch enkele nieuwe projecten vorm te geven. Een aantal openbare werken zorgden voor de sanering van de stad en gaven een eerste impuls tot de opstelling van een urbanisatieplan met doelstellingen op langere termijn. Onder meer het gemeentelijk slachthuis en het Guislaininstituut werden onder zijn bewind gebouwd en ook het Belfort kreeg een nieuwe torenspits. Hij voerde in 1852 ook een ingrijpende politiehervorming door maar richtte zijn aandacht vooral op het stedelijk onderwijs. De onderwijswet van 1842 had de oprichting van gemeentescholen in elke gemeente verplicht gemaakt en Gent, dat hierbij niet aan zijn proefstuk toe was, besloot zijn onderwijsnet verder uit te bouwen. Tot 1848 bleven de meeste plannen, gezien de penibele situatie van de stadskas, dode letter, maar zodra het begin van de economische heropbloei duidelijk werd, vatte de Kerchove een ambitieus plan aan. In 1848 werd Auguste Van Lokeren de eerste schepen van onderwijs van de stad en met de steun van onder meer de Société Huet (waarin de latere schepen van onderwijs Gustave Callier een hoofdrol speelde), het Vlaemsch Gezelschap (met Willem Rogghé, Ferdinand Snellaert en de eveneens latere schepen van onderwijs Jacob Heremans), de professoren Mareska en Heyman van de Gentse universiteit en vele andere gelijkgestemden, werd van de organisatie en de uitbreiding van het officieel onderwijs een absolute prioriteit gemaakt. In de daaropvolgende zes jaar werden scholen gebouwd, aangekocht of heringericht (in de Bonifantenstraat, de Laurierstraat, de Roskamstraat en in de Sassepoortstraat waar zowel een jongens- als een meisjesschool werden neergezet), werd subsidie verleend aan verschillende ‘extra-muros’ scholen die bereid waren om kosteloos Gentse kinderen op te vangen tot de stad er een eigen school kon bouwen (onder meer op Meulestede en Sint-Pietersaalst) werd een officieus begin gemaakt met het gemeentelijk normaalschoolonderwijs en opende de eerste avondschool voor volwassenen zijn deuren. Ook buiten de klassieke onderwijstaken zette de stad zich in om zoveel mogelijk kinderen op de schoolbanken te krijgen. Zo werden voor de armsten onder meer kleding- en soepbedelingen georganiseerd. De onderwijsbalans van de gemeente was dan ook voor het eerst in jaren echt positief te noemen. Het aantal schoolgangers steeg tussen 1848 en 1854 van 28 per duizend inwoners naar 38, het aantal leerkrachten van 61 naar 96 en de onderwijsbegroting verdubbelde in omvang.

Op sociaal vlak bekleedde de Kerchove vooral de bij zijn ambt horende erefuncties. Onder de verenigingen en organisaties waarin hem een erelidmaatschap of –voorzitterschap werd aangeboden, vinden we onder meer de Société des Choeurs, de kruisbooggilde Concordia, de Koninklijke Maatschappij der Schone Kunsten en Letteren en het Kunstgenootschap. Ongetwijfeld het nauwst aan het hart lag hem het Genootschap der Oud-wapenbroeders van het Franse Keizerrijk of de Napoleonisten, waarvan hij tussen 1844 en 1865 een actief erevoorzitter was. Even actief was hij in de rederijkerskamer De Fonteyne, waar hij in 1846, in opvolging van Jan Frans Willems, verkozen werd tot voorzitter. In 1850 ruilde hij het voorzitterschap voor het erevoorzitterschap maar bleef zich engageren in de dagelijkse werking van de kring.

De gedeeltelijke gemeenteraadsverkiezingen van 1854 betekenden een kleine ramp voor de Gentse liberalen. De radicalisering binnen de Liberale Associatie had voor onenigheid binnen de partij gezorgd. Een oppositielijst waarop een aantal gematigde liberalen of liberaal-katholieken zoals Louis Minard en Philippe Van de Velde zich samen met de katholieken aanboden, won de verkiezingen en behaalde een meerderheid binnen het schepencollege. Hun boegbeeld, Judocus Delehaye, werd door de koning benoemd tot burgemeester als opvolger van Constant de Kerchove.

Constant de Kerchove, sinds 20 oktober 1852 officieel graaf de Kerchove de Denterghem, verdween zo goed als onmiddellijk van het Gentse politieke toneel. Hij diende zijn termijn als parlementslid (liberaal senator sinds 1851) uit tot 1855 en trok zich vervolgens terug op zijn buitenverblijf in Wondelgem, waar hij op 12 juli 1865 overleed. Enkele jaren daarvoor had hij echter nog het genoegen kunnen smaken om zijn zoon Charles de Kerchove zijn plaats als burgemeester van Gent na het korte interregnum van Delehaye te zien overnemen.

Bart D'hondt