terug naar "Blauw in de grote Vlaamse steden ?"
terug naar alfabetisch overzicht

Klik op de afbeeldingen om te vergroten.
Alle foto's uit de fotocollectie van het Liberaal Archief

Joseph VAN CROMBRUGGHE


Joseph Van Crombrugghe werd geboren te Gent op 22 september 1770. Hij studeerde er aan het Augustijnencollege, waarna hij rechten ging studeren aan de Leuvense universiteit. In 1792 behaalde hij het diploma van doctor in de rechten, ging vervolgens naar Parijs voor aanvullende studies en vestigde zich bij zijn terugkeer in Gent als advocaat op de Kouter. Vanaf 1804 combineerde hij de advocatuur met de functie van stadssecretaris.

Onder het Hollandse regime stapte Van Crombrugghe in de politiek. In 1815 werd hij lid van de intendantieraad, van 1816 tot 1817 was hij lid van de provinciale staten van Oost-Vlaanderen en van 1817 tot 1824 van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal. Van 1820 tot 1825 was hij burgemeester van Sint-Martens-Leerne. Zijn engagement en juridisch inzicht vielen op, wat koning Willem I ertoe bracht hem eerst tot bestuurder van het ministerie van binnenlandse zaken en in 1824 tot buitengewone staatsraad te benoemen. Hij zetelde onder meer in de commissie die de nationale jurisprudentie onderzocht en was betrokken bij de herziening van de douanewetgeving en het opstellen van de statuten van het hoger onderwijs in de Zuidelijke Nederlanden. In 1825 kwam door het overlijden van Piers de Raveschote het ambt van burgemeester vrij in Gent en tegen de gangbare regels in werd Van Crombrugghe als niet-gemeenteraadslid tot burgemeester benoemd. Via opvolging werd hij korte tijd later in de gemeenteraad opgenomen.

Portret van J. Van Crombrugghe door J. PaelinckVan Crombrugghe wierp zich onmiddellijk op als een overtuigd behartiger van de Gentse belangen. In 1829 weigerde hij zelfs de aanstelling tot gouverneur van Antwerpen, wat zijn populariteit enkel deed toenemen. Hij verzekerde de overgang van het bestuur na de Belgische onafhankelijkheid van 1830 en werd bij de eerste gemeenteraadsverkiezingen (oktober 1830) het boegbeeld van de orangistische groep rond de Société des Amis de l’Ordre et du Repos Public van Hippolyte Metdepenningen. De toen gangbare rechtstreekse verkiezing van de burgemeester leverde hem 653 stemmen van de 882 opgekomen kiezers op tegenover 213 stemmen voor zijn uitdager Jacques Vanden Hecke-della Faille. Zijn benoeming tot burgemeester volgde prompt en hij kon zijn mandaat gewoon verder zetten. Van Crombrugghe bevond zich op dat moment echter in een politiek precaire situatie. Binnen de Société des Amis werd Van Crombrugghe immers beschouwd als een eerder gematigd orangist die reformatie verkoos boven revolutie. De groep rond Metdepenningen daarentegen wou de electorale macht van de orangisten maximaal uitbuiten en opteerde voor een harde confrontatiepolitiek, bij voorkeur onder de leiding van een radicale orangist. Daartegenover stond het prestige van Van Crombrugghe, die voor de regering aanvaardbaar was als brugfiguur tussen de orangisten en de nieuwe staat en tezelfdertijd bewezen had het ‘stemmenkanon’ van de Gentse orangisten te zijn. Zowel de orangisten als de nationale overheid hadden Van Crombrugghe met andere woorden nodig om Gent te kunnen besturen. Lang duurde dit verstandshuwelijk echter niet. Onder druk van de katholieken verklaarde het Voorlopig Bewind de kiesresultaten ongeldig en schreef nieuwe verkiezingen uit voor december 1830, wat een misrekening van formaat bleek te zijn. De orangisten slaagden er in om hun positie nog te versterken en Van Crombrugghe haalde bij de rechtstreekse burgemeesterverkiezing 858 van de 987 stemmen. De tegenstelling tussen orangisten en patriotten bereikte hierdoor een nieuw hoogtepunt. Tezelfdertijd liep het streven van de orangisten om de splitsing van de Nederlanden ongedaan te maken of om de prins van Oranje tot koning van België te laten kronen op een sisser uit en als laatste redmiddel besloten ze een poging te doen om het Belgische regime omver te werpen. Gent als bakermat van het orangisme kreeg de eer om het startschot te geven voor die staatsgreep, maar het amateuristisch vertoon onder leiding van Ernest Grégoire (2 februari 1831) werd in de kiem gesmoord door het (toen nog bewapende) brandweerkorps van de stad.

Voor de katholieken was het moment van de wraak aangebroken. Van Crombrugghe (die zo onvoorzichtig was geweest om zijn steun te betuigen aan de staatsgreep) en zijn gemeentebestuur werden geschorst en een Comité de Sûreté Publique onder leiding van baron Charles Coppens nam op bevel van het Voorlopig Bewind de controle in de stad over. De samenzweerders werden opgespoord, en indien niet op de vlucht vervolgd, terwijl de eigendommen van de orangisten werden geplunderd of vernietigd. De anarchie in de stad nam toe en rekeningen tussen de katholieken en de orangisten werden op gewelddadige wijze vereffend. Het Veiligheidscomité liet in hoofdzaak begaan en de situatie liep steeds verder uit de hand. Onder nationale en ook internationale druk werd het Veiligheidscomité na de troonsbestijging van Leopold-I in augustus 1831 ontbonden en kreeg het gemeentebestuur opnieuw volheid van bevoegdheid. Helemaal gerust was men in Brussel echter niet en in oktober 1831 kondigde de koning de staat van beleg af voor de stad Gent. Van Crombrugghe kreeg met andere woorden een militair bestuur onder leiding van generaal Niellon naast zich met wie hij de macht moest delen. Tot 1833 zou Niellon een zware repressie voeren, waarbij tevergeefs werd geprobeerd het Gentse orangisme definitief uit te roeien. Dat jaar stuurde het gemeentebestuur een dringende petitie tot normalisering naar het parlement, dat de staat van beleg ophief en de militairen terug naar hun kazernes stuurde. Van Crombrugghe kreeg terug volheid van bevoegdheid en oefende tot de verkiezingen van 1836 zijn burgemeestermandaat verder uit.

De gemeenteraadsverkiezingen van juli 1836 maakten een einde aan de relatieve rust. Opnieuw wonnen de orangisten de verkiezingen, waarbij gematigde figuren zoals Van Crombrugghe echter ingehaald en voorbijgestoken werden door de meer radicale kandidaten. Van Crombrugghe, die ondanks alles aanvaardbaar was gebleven voor de koning, leek af te stevenen op een volgende ambtstermijn als burgemeester, maar werd door het radicalisme van zijn orangistische medestanders in een onmogelijke positie gebracht waardoor de koning zijn benoeming uiteindelijk nog schrapte. François Verhaeghe-de Naeyer, een gematigde orangist die kon rekenen op de steun van de katholieke Société Pattriotique, werd door de koning tot burgemeester benoemd, maar weigerde dit ambt te aanvaarden, waardoor Gent in zijn zoveelste politieke crisis belandde. De door de koning benoemde schepenen (die hun ambt provisoir aanvaard hadden) trokken naar de koning met de vraag om toch maar Van Crombrugghe te benoemen maar kregen nul op het rekest. Eén van de betrokken schepenen, Jean-Baptiste Minne-Barth, kon na enige aarzeling door de regering overtuigd worden, aanvaardde de benoeming en werd in december 1836 waarnemend en in oktober 1837 volwaardig burgemeester van Gent. Van Crombrugghe, die ook geen schepenambt had verkregen, verhuisde naar de banken van de gewone gemeenteraadsleden waar hij tot 1840 samen met de voltallige gemeenteraad een meedogenloze oppositie voerde tegen Minne-Barth.

In januari 1840 hield de machteloze Minne-Barth het voor bekeken en nam ontslag als burgemeester. De radicale orangisten van Metdepenningen, die hun macht in de voorafgaande jaren sterk hadden zien slinken, gingen tegen hun zin akkoord met de herbenoeming van Van Crombrugghe als burgemeester van Gent. Samen met zijn schepencollege, dat integraal was samengesteld uit gematigde orangisten, kon Van Crombrugghe (die intussen ook verkozen was tot provincieraadslid, een mandaat dat hij van 1836 tot zijn overlijden behield) uiteindelijk een gewoon beleid gaan voeren.

Onder zijn bewind (tussen 1825 en 1842) werden de werken aan het kanaal Gent-Terneuzen afgerond en werden nieuw dokken gegraven, waardoor de grote ontplooiing van de Gentse haven een aanvang kon nemen. Onder meer het oude Casino aan het huidige Casinoplein, de opera, het justitiepaleis en de grote aula van de universiteit in de Volderstraat openden hun deuren en gebouwen zoals de kunstacademie en de kruidtuin werden volledig gerenoveerd. De urbanisatie stond nog in de kinderschoenen maar in het stadscentrum werden wel de eerste straten verbreed en nieuwe bruggen over de Lieve en aan de Dampoort dienden het verkeer te vergemakkelijken. Opvallend was ook zijn inzet voor het gemeentelijk onderwijs. Tussen 1828 en 1830 was op instructie van Willem I het stedelijk onderwijsnet sterk uitgebreid terwijl ook op kwalitatief vlak vele verbeteringen waren doorgevoerd. Na de onafhankelijkheid wenste Van Crombrugghe dit beleid verder te zetten, maar de politieke onrust in de stad maakte een coherent beleid heel moeilijk. Desondanks steunde hij de start van nieuwe initiatieven en realiseerde hij vanuit het gemeentebestuur zo niet een uitbreiding, dan toch minstens het behoud van de structuren die op het einde van de jaren 1820 waren uitgebouwd. Door te voorzien in een vrij ruim budget voor in hoofdzaak het lager onderwijs (in 1842 goed voor 36.173 fr. tegenover 17.971 fr. in Antwerpen en 30.413 fr. in Brussel) konden grotere of beter uitgeruste lokalen in gebruik worden genomen en bleef een betrekking in het onderwijzend korps aantrekkelijk genoeg om kwalitatief vrij hoogstaand personeel in dienst te houden. Naast zijn inzet voor het lager onderwijs of volksonderwijs ging zijn aandacht ook naar het voortgezet onderwijs. In 1832 werd het stedelijk atheneum heringericht terwijl ook de Stedelijke Normaalschool en de Nijverheidsschool onder zijn bestuur werden gebouwd en geopend.

Op het moment van zijn laatste benoeming tot burgemeester had Van Crombrugghe echter al een respectabele leeftijd bereikt. In 1841 werd hij door de koning geëerd met een benoeming tot Ridder in de Leopoldsorde maar kort daarna werd hij zwaar ziek en hij overleed op 10 maart 1842. Een van zijn schepenen, Constant de Kerchove, volgde hem op.

Zowel zijn populariteit bij de Gentse bevolking als de tweeslachtigheid waarmee de politiek mondige klasse hem had bejegend, bleven hem ook na zijn overlijden achtervolgen. Lange tijd bleef het stil rond zijn figuur en van een grootse officiële huldiging of de oprichting van een standbeeld of gedenkplaat was geen sprake. De onderwijswereld was Van Crombrugghe echter niet vergeten. Een stadsschool aan het Sint-Michielsplein (later in de Molenaarstraat) kreeg zijn naam en in 1857 werd het Van Crombrugghe’s Genootschap opgericht, dat zich in de geest van Joseph Van Crombrugghe richtte op volksopvoeding en ondersteuning van de minder begoede leerlingen. Deze vereniging, waarvan het Liberaal Archief het volledige archief bewaart (zie: Inventaris van het archieffonds Van Crombrugghe’s Genootschap (1857-2005). Gent, 2005) is nog steeds actief. In 1904 tenslotte besloot de stad zijn naam te verbinden aan een straat in de heraangelegde Meerhem-wijk.

Het Liberaal Archief publiceerde in 1988 ook een monografie over het Van Crombrugghe's Genootschap.

Bart D'hondt