terug naar Vraagbaak
terug naar alfabetisch overzicht

Klik op de afbeeldingen om te vergroten.
Alle foto's uit de fotocollectie van het Liberaal Archief

Paul JANSON


Paul Janson in 1884Paul Janson werd geboren te Herstal op 11 april 1841 als zoon van Pauline Dery en Emile Janson, een jeugdvriend van Charles Rogier. Hij studeerde rechten aan de Université Libre de Bruxelles en vervoegde in 1862 de Brusselse balie.
Na een flirt met de vroeg-socialisten van César De Paepe - voor wie hij in 1861 een aantal bijdragen schreef in La Tribune du Peuple - werd hij in 1863 partijpolitiek actief. Bij de parlementsverkiezingen van dat jaar sloten de gematigd progressieven van de Association libérale de Bruxelles een kiescompromis met de doctrinairen, wat Janson er samen met een aantal jonge collega-advocaten toe bracht de Meeting libéral op te richten die zich achter het ideeëngoed van het radicaal liberalisme schaarde. Centraal stelden zij het algemeen stemrecht, verplicht en kosteloos officieel onderwijs, een minimale sociale wetgeving met nadruk op de reglementering van de arbeid en de strikte scheiding tussen Kerk en Staat. In 1865 richtte hij samen met Picard, Graux, Jottrand en Buls het progressistische weekblad La Liberté op dat de ideeën van de Meeting ondersteunde.

Gedurende de daarop volgende tien jaar bouwde Janson vooral zijn professionele loopbaan verder uit en bewees in een aantal geruchtmakende processen een getalenteerd en gepassioneerd redenaar te zijn. Op politiek vlak werd hij intussen actief binnen de Association libérale. Deze schoof hem in 1869 naar voor als kandidaat voor de gemeenteraadsverkiezingen in Brussel maar hij werd niet verkozen. In 1871 huwde hij met Anne Augustine Amoré, een medewerkster van de Brusselse pedagoge Isabelle Gatti de Gammond. Janson werd tussen 1872 en 1895 vader van een zoon en vijf dochters. Twee onder hen zouden later in de voetsporen van hun vader treden en een markante politieke rol spelen: Paul-Emile was van 1937 tot 1938 liberaal eerste minister, zijn oudste dochter Marie werd in 1921 de eerste vrouwelijke senator (voor de BWP) en was de moeder van de socialistische staatsman Paul-Henri Spaak.

In 1877 overleed het progressistisch kamerlid Ghislain Funk en de Association stelde twee kandidaat-vervangers voor: de doctrinair Goblet d’Alviella en Janson. Janson won de tussentijdse verkiezing en trok naar het parlement met als voornaamste programmapunten de definitieve scheiding tussen Kerk en Staat en de lotsverbetering van de arbeidersklasse. In zijn eerste tussenkomsten in de Kamer volgde hij de algemene beleidslijnen van zijn partij en verdedigde met vuur onder meer het wetsvoorstel Van Humbeeck over het lager onderwijs. Traditiegetrouw ging hij echter ook hier een stap verder dan het meerderheids¬standpunt binnen de liberale partij en eiste bijkomend dat het onderwijs gratis en verplicht zou worden. Ondanks zijn dikwijls radicale standpunten nam zijn invloed binnen de partij toe. De progressistische vleugel kreeg een steeds grotere aanhang en in 1881 werd Janson verkozen tot voorzitter van de Association libérale die onder zijn leiding een bocht naar links maakte. De schoolstrijd bleef een prioritair thema, maar daarnaast startte Janson een campagne voor de hervorming van het kiesrecht. Hij herlan¬ceerde een voorstel van Jottrand en Demeur uit 1871 waarin stemrecht op gemeentelijk en provinciaal niveau werd toegekend aan alle Belgen die konden lezen en schrijven en in 1882 stond hij mee aan de wieg van de Liga voor de hervorming van het stemrecht, die ijverde voor de afschaffing van de cijnskieswet.
Een jaar later diende hij samen met Arnould, Dansaert, Demeur, Féron en Robert een eerste wetsvoorstel in ter herziening van de kieswet in maar de weerstand van de conservatieven in de Kamer bleek nog te groot te zijn. Het voorstel werd niet in overweging genomen. De aanvallen op zijn politieke stellingnames kwamen echter niet alleen uit conservatieve hoek. Ook de linkervleugel van de progressisten betwistte bij tijden zijn aanpak en verweet hem dan weer een te gematigde politiek te voeren. Deze kleine groep van ontevredenen vormde echter geen gevaar voor zijn leiderschap en in 1883 werd hij probleemloos herkozen als voorzitter van de Association. Intussen zocht hij naar een alternatief kanaal om zijn denkbeelden te verspreiden en toe te lichten, wat in februari 1884 leidde tot de oprichting van het dagblad La Réforme, dat op korte tijd uitgroeide tot de meest invloedrijke spreekbuis van de voorstanders van de kieshervorming. In 1899 zou hij na een meningsverschil de redactie verlaten om in 1903 samen met opnieuw Féron en Robert een nieuw progressistisch blad, Le Ralliement, op de markt te brengen.

1884 werd een zwart jaar voor de Belgische liberalen. Een verpletterende kiesnederlaag bracht de katholieken aan het bewind en luidde het begin in van dertig jaar liberale oppositie. Ook voor Janson waren de gevolgen zwaar. Hij verloor zijn kamerzetel en de Brusselse Association libérale viel na veel getwist uit elkaar. Onder de leiding van Van Humbeeck, Buls en Graux scheurden de doctrinairen zich af en richtten de Ligue libérale de Bruxelles op, de Association libérale van Janson kwam volledig in handen van de progressisten en de gematigden onder de leiding van Goblet d’Alviella en Julius Hoste sr. verenigden zich in een afzonderlijke vereniging die weliswaar aangesloten was bij de Ligue maar toch een brugfunctie vervulde tussen de twee antagonisten

Paul Janson 1889Janson, die in 1884 en 1886 werd verkozen tot gemeenteraadslid van Brussel, kreeg nu meer armslag bij de verspreiding van zijn radicale ideeën. Na de sociale onlusten van 1886 begon hij te ijveren voor een nieuwe progressistische eenheidspartij van arbeiders en burgerij onder leiding van de liberalen en met als belangrijkste doel de afschaffing van het cijnskiesrecht zodat de macht van de klerikalen kon worden gebroken. In 1887 leek zijn droom in vervulling te gaan en zat hij het eerste Progressistisch Congres voor. Een coalitie van socialisten en progressieve liberalen keurde er een programma goed dat een verregaande democratisering van de Belgische samenleving inhield. In 1889 keerde Janson terug naar de kamer van volksvertegenwoordigers en werd er de gepassioneerde woordvoerder van de Belgische progressisten. In 1890 diende hij een wetsvoorstel in ter herziening van een aantal grondwetsartikelen betreffende het kiesrecht en in tegenstelling tot 1883 keurde de Kamer dit keer het voorstel goed. Op het derde Progressistisch Congres dat kort op deze beslissing volgde, moest dan ook een keuze worden gemaakt welke kieshervorming men in het parlement zou verdedigen. Om de coalitie met de socialisten niet in gevaar te brengen, besloot het congres om alle mogelijke tussenfasen over te slaan en onder leiding van Janson werd resoluut geopteerd voor de verdediging van het algemeen enkelvoudig stemrecht.
De daaropvolgende discussies in het parlement verliepen op het scherp van de snee. Het verzet tegen het algemeen enkelvoudig stemrecht blijkt te sterk te zijn en na drie jaar debatteren keurde het parlement in 1893 het voorstel Nyssens goed, dat het algemeen meervoudig stemrecht in combinatie met een meerderheidsstelsel introduceerde. Dit compromis kwam duidelijk tegemoet aan de verzuchtingen van de katholieke conservatieve vleugel, een gevaar dat Janson onmiddellijk inzag. Hij begon direct een campagne voor de invoering van het evenredigheidsstelsel ter vervanging van het meerderheidsstelsel zodat de schade voor de liberalen beperkt zou blijven, maar hij faalde. Op de valreep kreeg hij nog de steun van de katholieke eerste minister Beernaert, die echter binnen zijn partij over het voorstel struikelde en net voor de verkiezingen als eerste minister werd vervangen door de onverzettelijke Jules de Burlet.

Paul Janson in 1892De liberale verkiezingsnederlaag van 1894 was van een nooit eerder geziene omvang. Kopstukken als Frère-Orban, Bara en Janson verloren hun zetel en de liberale aanwezigheid in de Kamer viel van eenenzestig na de verkiezingen van 1892 terug op twintig. Janson werd via het pas ingevoerde systeem van provinciale senatoren heropgevist en verhuisde voor zes jaar naar de Senaat. In 1900 werd hij opnieuw verkozen voor de Kamer waar hij bleef zetelen tot zijn overlijden.

Van 1894 tot 1913 bleef Janson zijn idealen verdedigen in het parlement. Zijn voorstellen uit deze periode verraadden een diepgeworteld geloof in de emancipatie van de gehele bevolking en een democratisering op alle niveaus. Hij bleef pleiten voor algemeen enkelvoudig stemrecht, voor een vorm van verplichte sociale zekerheid, voor arbeidsduurverkorting, voor de invoering van collectieve arbeidsovereenkomsten, voor een systeem van winstdeling tussen werkgevers en werknemers, kortom, voorstellen die hun tijd ver vooruit waren en pas in de daaropvolgende vijf decennia hun weg zouden vinden door het parlement.
Ook zijn droom om een grote progressieve partij op te richten gaf hij nooit op. Zijn banden met de BWP bleven zeer nauw en in 1911 leken zowel de liberale als de socialistische partij bereid te zijn om over samenwerking te praten. Het onvermogen van beide partijen om op eigen houtje de macht van de katholieken te breken had reeds in de voorafgaande verkiezingen voor een aantal lokale rood-blauwe kartels gezorgd en in de aanloop naar de parlementsverkiezingen van 1912 besloten de nationale leiders van beide partijen gezamenlijk naar de kiezer te trekken. Het kartel voerde een heftige antiklerikale campagne maar kon de kiezer duidelijk niet overtuigen. De katholieken behielden hun absolute meerderheid, die zelfs steeg van acht zetels naar een comfortabele twintig. Janson, die intussen de zeventig voorbij was, werd wel herkozen maar moest duidelijk een stapje terug zetten terwijl de liberale partij tot herpositionering en herstructurering werd gedwongen. Kort na de verkiezingen werd Janson op verzoek van Paul Hymans benoemd tot minister van Staat. Een klein jaar later, op 19 april 1913, overleed hij te Brussel, waardoor de liberale partij een van de belangrijkste boegbeelden van de strijd voor sociale rechtvaardigheid en democratie uit de Belgische geschiedenis verloor.

Bart D'hondt