terug naar Vraagbaak
terug naar alfabetisch overzicht

Klik op de afbeeldingen om te vergroten.
Alle foto's uit de fotocollectie van het Liberaal Archief

Paul-Emile JANSON


Gezin JansonPaul-Emile Janson werd geboren te Brussel op 30 mei 1872 als zoon van Paul Janson, het boegbeeld van de liberale progressisten. Hij studeerde rechten aan de Université Libre de Bruxelles, ging aan de slag als advocaat en werd volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Doornik. Hij was lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers van 1914 tot 1935, waarna hij zetelde als gecoöpteerd senator van 1935 tot 1936. In die periode bekleedde hij meerdere ministerposten: Landsverdediging (1920), Justitie (1927-1931 en 1932-1934), Buitenlandse Zaken (1939), Justitie (1939 en 1940). Daarnaast was hij van november 1937 tot mei 1938 eerste minister, de enige liberale eerste minister tussen Frère-Orban in 1884 en Guy Verhofstadt in 1999 in.

Een schitterende loopbaan aan de Brusselse balie brak hij in 1911 gedeeltelijk af om zich actief te engageren in de politiek en net zoals zijn vader weigerde hij zich zonder meer te onderwerpen aan de dikwijls conservatieve standpunten van de partijtop. Als student had hij in 1891 reeds gepassioneerd het algemeen stemrecht verdedigd en hij zou tot het einde van zijn loopbaan een onafhankelijke koers blijven volgen. Een poging om in Brussel verkozen te raken, liep echter op niets uit. De doctrinair Albert Devèze stond in 1912 net zoals Janson op een strijdplaats maar kreeg de steun van Maurice Brébart van La Dernière Heure en werd verkozen. Voor de verkiezingen van 1914 kreeg hij een verkiesbare plaats aangeboden in het arrondissement Doornik, waar men hoopte via Janson de arbeidersklasse te kunnen bereiken. Hij werd verkozen en zetelde op 4 augustus 1914 voor het eerst in de Kamer. Enkele dagen later volgde hij de regering en sloeg op de vlucht voor de Duitse inval. Twijfel over de ethisch juiste houding die een politicus bij deze bezetting moest aannemen, deden hem echter terugkeren naar België en op 22 augustus was hij terug thuis. Hij engageerde zich vervolgens in meerdere hulpcomités die het leven onder de bezetting moesten verzachten en de Doornikse bevolking droeg hem op de handen. Ook op politiek vlak zat hij intussen niet stil. Met vrienden en collega-politici begon hij met de voorbereiding van de restauratie van de staat na de bezetting en via baron Capelle bereikten zijn ideeën de regering in Le Havre. Hij pleitte voor een bestuur van nationale eenheid, dat naast de heropbouw ook een aantal hangende maatschappelijke discussies uit de vooroorlogse periode zou moeten oplossen. Hij kreeg zijn kans in 1918 als hij op vraag van Emile Francqui naar Loppem vertrok om in naam van de politici uit bezet België een eerste politieke analyse aan koning Albert te overhandigen. Samen met Anseele voerde hij ook een aantal gesprekken met de koning, waarbij hij zijn persoonlijk gedachtegoed ongetwijfeld verdedigde naast het officieel standpunt van de liberalen. Hij kreeg een ministerportefeuille aangeboden in de regering Delacroix maar weigerde en stelde zelf Hymans, Franck en Masson voor. Na de wapenstilstand keerde hij terug naar de balie en werd in 1919 verkozen tot stafhouder. Op politiek vlak zette hij zich, zoals meermaals tegen de visie van de liberale fractie in, direct na de oorlog in voor de wet Vandervelde tegen het alcoholmisbruik. Dertien liberalen kozen in dit debat uiteindelijk de kant van Janson, waardoor de wet met een nipte meerderheid werd goedgekeurd. Janson, nog steeds heel populair in zijn kiesarrondissement, werd bij de verkiezingen van 1919 probleemloos herkozen. In 1920 nam hij het ministerie van Landsverdediging over van Fulgence Masson. Samen met eerste minister Delacroix werd hij er de architect en uiteindelijke ondertekenaar van het beruchte Frans-Belgisch militair akkoord, dat Jean Stengers terecht de fase met de meest verstrekkende gevolgen uit zijn politieke loopbaan noemde. Enkele dagen na de ondertekening van dit voor hem heel belangrijke akkoord nam hij ontslag als minister.

Paul-Emile Janson - Pourquoi Pas? 1912Na de liberale oppositiekuur die volgde, werd hem in november 1927 de portefeuille van Justitie aangeboden in de regering van zijn persoonlijke vriend Henri Jaspar. Hij bleef minister van Justitie van 1927 tot 1931 en vervolgens van 1932 tot 1934 onder de Broqueville. Opnieuw viel zijn daadkracht op: in een periode van vijf jaar wist hij zeventien wetsvoorstellen door het parlement te loodsen, waaronder de belangrijke wet op de verplichte gezinstoelagen voor loontrekkenden uit 1930. Daarnaast was er wat Emile Vandervelde “l’homme de grand coeur” noemde: de controle op de correcte en vooral rechtvaardige werking van de magistratuur, de zorg voor delicate dossiers zoals de uitwijzing van vluchtelingen waarin hij menselijkheid verkoos boven de letter van de wet, aandachtspunten die behoorlijk actueel klinken. Ten opzichte van de Vlaamse eisen stond hij, opnieuw niet echt in overeenstemming met de visie van zijn fractiegenoten, opvallend welwillend. Voor zijn opleiding tot advocaat had zijn vooruitziende vader hem indertijd reeds naar Vlaanderen gestuurd, waar Jan Van Rijswijck erin was geslaagd de jonge Janson van de rechtmatigheid van de Vlaamse eisen te overtuigen. In het parlement was Janson reeds meerdere malen opgekomen voor de Vlaamse rechten, als minister zette hij deze lijn consequent door met dien verstande dat een algemene amnestie voor de activisten voor hem onbespreekbaar bleef. Hij steunde wel de uitdovingswet van 1929 en verdedigde de vernederlandsing van de Gentse universiteit. In 1930 diende hij het wetsontwerp voor de regeling van het taalgebruik in rechtszaken in, wat in 1935 in het parlement werd goedgekeurd en hem een eerbetoon van de Vlaamse politici opleverde. Zijn standpunt over de Vlaamse eisen werd hem, op basis van de legitimiteit ervan, ook ingegeven door zijn bezorgdheid voor een unitair en welvarend België. De kracht van de Vlaamse beweging en haar mobilisatiemogelijkheden, die gelijkberechtiging op termijn onvermijdelijk maakten, moesten volgens hem ten goede worden aangewend en worden gekanaliseerd in een nationaal samenwerkingsverband.

Zijn standpunt over het onderwijs bracht hem in 1932 op de rand van de uitsluiting. Hij verdedigde in de Kamer zijn beslissing om tegen de afschaffing van de subsidies voor het vrij lager onderwijs te stemmen. Liberalen en socialisten reageerden furieus, maar Janson bleef pleiten voor wat hij zijn liberale visie pur sang noemde en weigerde het onderwijs, dat de basis vormde voor een vrije en verlichte maatschappij, te offeren binnen een politiek schaakspel, zeker in een crisisperiode waarin liberalen het begrip tolerantie dreigden te vergeten. Zijn collega en vriend Charles Magnette schreef hem hierover: “toi, tu es ministre avant d’être libéral; moi, je serais libéral avant d’être ministre”, een zinsnede die het karakter van Janson heel duidelijk omschreef. Heel verrassend kwam Albert Devèze hem in deze woelige periode ter hulp en hij slaagde erin de gemoederen te bedaren.

Op politiek vlak ging Janson, die intussen (1931) tot minister van Staat was benoemd, een moeilijke periode tegemoet. Binnen de liberale partij was hij een makkelijk doelwit geworden en zijn tegenstanders bundelden hun krachten. Ze slaagden erin hem te vervangen als minister van Justitie in 1934 en om herverkozen te raken, diende hij alle zeilen bij te zetten. In 1935 slaagde hij er desondanks in om gecoöpteerd senator te worden, maar na de liberale verkiezingsnederlaag van 1936 werd hij zonder medelijden gedumpt.

Paul-Emile Janson - Pourquoi Pas? 1937Na een sabatjaar volgde echter de moeilijke opvolging van het kabinet Van Zeeland. Spaak, De Man, Pierlot en Vandervelde slaagden er niet in een nieuwe regering te vormen. Janson, die als liberaal compromisfiguur goede contacten had met de socialisten (onder wie Spaak) en de katholieken (onder wie Jaspar), werd aangesteld tot formateur. Hij vormde een klassieke tripartite waarin naast hemzelf ook de liberalen Dierckx en Hoste een portefeuille kregen. Voorzitter Coulonvaux van de Liberale Partij had op de vergadering van het bestendig comité, die net na de installatie van de nieuwe regering doorging, enkel woorden van lof voor Janson, de animositeit van de eerste helft van de jaren ’30 bleek te zijn vergeten. Het kabinet bleef echter slechts een goede vijf maanden in functie. De oorlogsdreiging in Europa, de communautaire rellen in het parlement en de dalende conjunctuur die een belastingverhoging noodzakelijk maakte, veroorzaakten in mei een scheuring binnen de coalitie en de katholieken stapten op. Janson bood het ontslag van zijn regering aan en trok zich voor een tweede keer terug uit de politiek. De balans van zijn korte regeerperiode is vrij vlug gemaakt. De situatie dwong hem het beleid van Van Zeeland gewoon voort te zetten en veel ruimte voor nieuwe initiatieven was er niet. Zijn twee belangrijkste beslissingen als eerste minister nam hij met de Vlaamse eisen voor ogen. Binnen het ministerie van Onderwijs werden twee cultuurraden opgericht zodat het beleid efficiënter zou kunnen omgaan met de eigenheid van de beide landsdelen en hij kondigde de oprichting van de autonome Vlaamse Academies aan. Beide maatregelen die hij onder de noemer “politique d’autonomie culturelle” nam, getuigden van een vooruitziende visie.

De noodkabinetten van 1939 en 1940 deden nog viermaal beroep op zijn medewerking als minister. Bij het uitbreken van de oorlog was hij minister van Justitie en hij volgde in eerste instantie zijn vluchtende collega’s naar Frankrijk. Hij weigerde hen te volgen naar Londen en bleef samen met De Schryver, Soudan en d’Aspremont-Lynden op het vasteland. In 1943, toen het Duitse leger de bezetting van Zuid-Frankrijk overnam van Italië, werd Janson te Nice gearresteerd en vervolgens gedeporteerd. Op 3 maart 1944 overleed Janson te Buchenwald.

Bart D'hondt