terug naar alfabetisch overzicht
Klik op de afbeeldingen om te vergroten.
Alle foto's uit de fotocollectie van het Liberaal Archief

Jane BRIGODE


Jane Ouwerx werd geboren te Rummen op 30 mei 1870. Ze kreeg, in tegenstelling tot de meeste jonge vrouwen van haar generatie, de kans om hoger onderwijs te volgen en studeerde af als onderwijzeres aan de Normaalschool. Ze oefende haar beroep nooit uit maar in haar verdere loopbaan betoonde ze wel een blijvende belangstelling voor het onderwijs. Na haar studies huwde ze met François Brigode, een architect en ontwerper van glasramen.

Vanaf de eeuwwisseling dook haar naam steeds meer op in het feministisch verenigingsleven. Ze werd in 1901 lid van de Belgische Liga voor de Rechten van de Vrouw, in 1892 opgericht door Marie Popelin om de belangen van de aan de universiteiten en hogescholen afgestudeerde vrouwen te verdedigen. Intussen was het werkveld verbreed en was onder meer de toepassing van het gelijkheidsprincipe van de echtgenoten binnen het familierecht een hoofdthema geworden. Jane Brigode werd al gauw een spilfiguur in de Liga en stond aan het hoofd van het secretariaat van de tweede internationale feministische conferentie te Brussel. Tezelfdertijd publiceerde ze een eerste studierapport over de opheffing van art. 340 van het Burgerlijk Wetboek dat het onderzoek naar het vaderschap verbood. In 1903 werd ze penningmeester, lid van het Centraal Comité en hoofd van een juridische studiecommissie. Via deze commissie kwam ze voor het eerst in het politieke milieu terecht waar ze, onder meer via de parlementsleden Hector Denis, Léon Mabille en Henri Carton de Wiart, de eisen van de vrouwen kon laten doordringen tot het parlement. Haar voorstellen betroffen onder meer het recht van de vrouw om als getuige op te treden bij de burgerlijke stand (in 1908 omgezet in een wet), het recht om deel te nemen aan een familieraad of om als voogd op te treden (wet van 1909) en het recht om in de werkrechtersraden te zetelen (wet van 1910). Dit leverde haar een aantal politieke vijanden op - onder wie Charles Woeste - die ze via de pers met hevige polemieken bestreed. In 1908 werd ze secretaris van de Liga en in 1912 secretaris-generaal in opvolging van Marie Popelin. Op het internationaal congres van april 1912 stelde ze de twee prioriteiten van de feministische strijd in België voor: het huwelijksgoederenrecht en het vrouwenstemrecht.

Naast de Liga was er ook de in 1905 opgerichte Nationale Vrouwenraad. Dit initiatief ging uit van de Société belge pour l'amélioration du sort des femmes, de Union des femmes belges contre l'alcoolisme en de Belgische Liga voor de Rechten van de Vrouw. Ze kwam namens de Liga in de Nationale Vrouwenraad terecht, waar ze eerst secretaris en na korte tijd voorzitster werd van de belangrijke Commissie Wetgeving. Het onderwijs kreeg hierbij haar bijzondere aandacht. Vrouwenemancipatie was voor Jane Brigode immers rechtstreeks gekoppeld aan betere opleidingsmogelijkheden en aan een uitbreiding van de leerplicht. Eén van de wegen waarlangs zij dit wou realiseren was de Ligue de l'Enseignement die rond de eeuwwisseling één van de belangrijkste verdedigers van het officieel onderwijs was. Jane Brigode slaagde erin om de Nationale Vrouwenraad de doelstellingen van de Ligue te laten onderschrijven, maar botste vrij gauw met de interne organisatie van de Ligue, die volgens haar statuten geen vrouwen kon aanvaarden in bestuursfuncties. Dit leidde tot een zeer heftige discussie met het toenmalige bestuur van de Ligue en in januari 1907 verwierven zij en Mariette Houyoux toch een zetel in het Algemeen Bestuur. Hierdoor gesterkt ging ze dezelfde discussie aan met de Internationale Onderrichtersbond, waar ze in 1910 lid werd van de Algemene Raad. De Ligue schatte haar intussen naar waarde en benoemde haar in 1909 tot ondervoorzitster van de Permanente Commissie voor Pedagogie en tot voorzitster van de commissie voor de hervorming van het middelbaar onderwijs voor meisjes. In 1912 werd ze ondervoorzitster van de Ligue de l'Enseignement, wat ze bleef tot 1927.

De georganiseerde strijd voor het vrouwenstemrecht kreeg intussen ook vorm. In februari 1913 bundel¬den de belangrijkste vrouwengroepen hun krachten en werd de Belgische Federatie voor het Stemrecht van de Vrouw opgericht. De partijgrenzen werden hierbij probleemloos overstegen en er ontstond een geünifieerd front dat onder voorzitterschap van Jane Brigode het leeuwendeel van de emancipatiestrijd op zich nam. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog gooide echter roet in het eten. De meeste vrouwenorganisaties schakelden opnieuw over op liefdadigheidswerk en ook Jane Brigode liet de vrouwenbeweging tijdelijk voor wat ze was. Op 3 augustus 1914 bracht ze de vertegenwoordigsters van de belangrijkste vrouwenverenigingen samen, die op 8 augustus de Union patriotique des femmes belges oprichtten en Jane Brigode tot voorzitster verkozen. Aanvankelijk concentreerde de Union zich op noodhulp, later nam ze vooral initiatieven voor tewerkstelling. De Union groeide in heel korte tijd uit tot een van de belangrijkste liefdadigheidsverenigingen uit de Eerste Wereldoorlog, waardoor Jane Brigode een figuur met nationale bekendheid werd.

Direct na de oorlog hervatte ze de politieke strijd. Op 15 december 1918 schreef ze samen met Louise Van Den Plas een open brief aan de regering met als eis de onvoorwaardelijke invoering van het vrou¬wenstemrecht. Het belangrijkste argument hierbij was uiteraard dat de acties van onder meer de Union patriotique des femmes belges tijdens de oorlog, alle klassieke vooroordelen over de vrouwelijke onbekwaamheid naar de prullenmand hadden verwezen. De parlementaire steun bleek echter veel te beperkt te zijn en Brigode zocht steun bij haar politieke vrienden, onder wie Adolphe Max, Paul Hymans en Emile Vandervelde. In 1920 keurde het parlement haar minimumeis goed, waardoor vrouwen de kans kregen om vanaf 1921 deel te nemen aan de gemeenteraadsverkiezingen. Jane Brigode stelde zich kandidaat, kreeg de vierde plaats op de liberale lijst te Vorst en werd verkozen. Ondanks zware tegenkanting uit socialistische hoek werd ze zelfs verkozen tot schepen en kreeg het departement onderwijs toegewezen. Ze bleef gemeenteraadslid tot 1946 en was schepen van 1921 tot 1927 en van 1933 tot 1946.

Haar activiteiten in de Nationale Vrouwenraad en de Belgische Federatie voor het Stemrecht van de Vrouw werden hierdoor iets minder intensief, maar ze bleef de pers halen met verschillende acties. In 1921 bijvoorbeeld slaagde ze erin om de wettekst betreffende de gelijkschakeling van de wedden van mannelijke en vrouwelijke leerkrachten, die ze in 1913 voor de Ligue de l'Enseignement schreef, in het parlement te zien goedkeuren als de wet-Colaert. Op internationaal vlak richtte ze intussen een Belgische steunafdeling van de Volkenbond op, de Union belge pour la Société des Nations, waarin onder meer Paul Hymans, Jules Destrée en Pierre Orts een bestuursfunctie aanvaardden. Binnen het uitvoerend comité zorgde ze met onder meer Marie Spaak, Juliette Carton de Wiart en Margueritte Van de Wiele uiteraard voor een sterke vrouwelijke vertegenwoordiging.

Het vrouwenkiesrecht bleef voor Jane Brigode intussen een absolute prioriteit, maar het zwaartepunt van de actie verschoof naar de Union patriotique des femmes belges, die in de naoorlogse periode een veel populairder imago had dan de Nationale Vrouwenraad, de Belgische Liga voor de Rechten van de Vrouw of de Belgische Federatie voor het Stemrecht van de Vrouw. In 1920 startte ze een uitgebreide cyclus van vormingslessen voor jonge vrouwen op en via spreekbeurten in het gehele land poogde ze vrouwen voor te bereiden op hun eerste stembusgang bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1921. Net zoals vóór 1914 schreef ze opnieuw wetsvoorstellen die via bevriende politici in het parlement verspreid en besproken werden. Haar voorstellen betroffen, naast het stemrecht zelf, eveneens de andere domeinen waarop de vrouwenemancipatie nog geen grote vorderingen had gemaakt, zoals de burgerlijke bekwaamheid, de rechten van de alleenstaande vrouw, het arbeidscontract voor vrouwen en het statuut van de thuiswerkende vrouw. Naast de Union patriotique vond ze een alternatief kanaal voor de verspreiding van deze ideeën via de in 1908 opgerichte Lyceum Club waarvan ze tot 1934 voorzitster was. Deze vereniging richtte zich ondubbelzinnig tot de intellectuele en politieke elite onder de vrouwen, die via hun sociale of politieke netwerken invloed konden uitoefenen op het beleid. De grote vervlakking van waarden tijdens het Interbellum was voor Jane Brigode een andere steen des aanstoots. Via de Union patriotique des femmes belges voerde ze campagne rond de verspreiding van geslachtsziekten, de prostitutie en het alcoholmisbruik en riep op tot een ethisch reveil, waarbij haar scherpe pen voor de nodige polemieken in de pers zorgde.

Ook op partijpolitiek vlak was ze actief. Na de teleurstellende ervaring op het congres van de Liberale Partij in 1919, waar het vrouwenkiesrecht onvoldoende steun kreeg om in het partijprogramma te worden opgenomen, richtte ze, samen met Marthe Boël, haar aandacht op de stichting en organisatie van de Nationale Federatie van Liberale Vrouwen. In 1923 werd ze als opvolgster van Rosy-Warnant voorzitster van de Brusselse afdeling en vanuit die functie werd ze, eveneens samen met Marthe Boël, aangeduid als vertegenwoordigster van de vrouwen binnen de bestuursorganen van de Liberale Partij. In 1937 besliste partijvoorzitter Coulonvaux om drie ondervoorzitters te benoemen, onder wie minstens één vrouw. Jane Brigode en Georgette Ciselet waren beiden kandidaat. Brigode werd, dankzij de steun van Paul Hymans, samen met Roger Motz en Armand De Weerdt tot ondervoorzitter gekozen. In 1938 fungeerde ze voor de eerste keer als voorzitster op een vergadering van het partijbureau en het vrouwenstandpunt vond meer en meer ingang bij haar mannelijke collega’s. Ze kwam vervolgens aan het hoofd te staan van een door de Landsraad opgerichte onderzoekscommissie die het stemrecht voor de vrouw moest evalueren. Vooraleer echter een compromis over dit stemrecht bereikt werd, brak de Tweede Wereldoorlog uit. Haar huis werd het (illegale) zenuwcentrum van de Liberale Partij. Na het ontslag van voorzitter Coulonvaux in november 1940 werd ze door haar collega’s Fernand Demets, Armand De Weerdt, Fernand Petit en Victor Sabbe aangesteld tot waarnemend voorzitter van de Liberale Partij, wat van Jane Brigode de eerste de facto voorzitster van een Belgische politieke partij maakte. De taken van dit oorlogsbestuur waren uiteraard niet licht, maar ze slaagde erin om de interne werking en structuur via talloze heimelijke contacten in stand te houden en om de eenheid binnen de rangen te bewaren. Het magnum opus van haar oorlogspartijbureau bestond uit een nagenoeg perfecte blauwdruk voor de naoorlogse heropbouw en herstructurering van de partij, die later door Roger Motz zou uitgevoerd worden. Net zoals in 1918 werd ze na het einde van de Tweede Wereldoorlog als een heldin onthaald. De Liberale Partij was zwaar onder de indruk van wat ze tijdens de oorlog had gerealiseerd en de vrouwenbeweging was ontegensprekelijk fier op haar beroemde vertegenwoordigster.

Gezien haar leeftijd begon ze echter haar activiteiten terug te schroeven. Ze nam nog zitting in het epuratiecomité van de partij en op het eerste naoorlogs liberaal congres van 1945 hanteerde ze voor de laatste keer de voorzittershamer, om hem vervolgens door te geven aan Roger Motz. Met het prestige van vijf zware jaren als partijvoorzitster achter zich eiste ze opnieuw de steun van de liberalen voor het vrouwenstemrecht en onder druk van Albert Devèze werd dit uiteindelijk in het partijprogramma ingeschreven. In 1947 nam ze dan ook met een voldaan gevoel ontslag als ondervoorzitster van de partij. In 1950 kreeg ze een opvolgster in het partijbureau en trok ze zich definitief terug te Vorst, waar ze overleed op 3 mei 1952.

Bart D'hondt

Over de rol van Jane Brigode in de nationale en internationale vrouwenbeweging, publiceerde het Liberaal Archief:
B. D'hondt, Gelijke rechten, gelijke plichten. Een portret van vijf liberale vrouwen.