terug naar alfabetisch overzicht
Klik op de afbeeldingen om te vergroten.
Alle foto's uit de fotocollectie van het Liberaal Archief

Lucienne HERMAN-MICHIELSENS


Lucienne Herman-MichielsensLucienne Michielsens werd geboren te Gent op 13 maart 1926 als enig kind van Gaston Michielsens en Adeline Mielecam. Ze groeide op in een liberale familie en studeerde net zoals haar moeder (die directrice van de Oefenschool van de Stedelijke Gentse Normaalschool was) voor onderwijzeres. Ze besloot haar studies voort te zetten aan de Gentse universiteit en schreef zich in aan de rechtenfaculteit. In 1950 behaalde ze het licentiaatdiploma in de criminologie, in 1951 studeerde ze af als doctor in de rechten en vijftien jaar later, in 1966, vulde ze dit aan met de titel van licentiate in het notariaat. Ze wenste zich als advocate aan de balie in te schrijven of een baan te zoeken als journaliste, maar gezien de onregelmatige werkuren van haar echtgenoot - in 1951 huwde ze de geneesheer Jacques Herman - liet ze beide plannen varen. Ze werd bestuurssecretaris bij het ministerie van Wederopbouw, waar ze op de juridische dienst terechtkwam. In 1953 werd dit ministerie opgeslorpt door het ministerie van Openbare Werken. Ze werd er benoemd tot directeur van het departement Betwiste Zaken en vertegenwoordigde de Belgische staat in processen voor de Raad van State. Ze behield deze functie tot 1977 toen ze senator werd.

Tijdens haar studententijd raakte ze voor het eerst betrokken bij het liberale verenigingsleven. Van 1948 tot 1950 was ze ondervoorzitster van het Liberaal Vlaams Studentenverbond waar ze onder meer Willy De Clercq, Piet Van Brabant, Leon De Meyer en Adriaan Verhulst leerde kennen. Ze vervoegde tezelfdertijd de redactie van het toonaangevende studententijdschrift Neohumanisme en werd lid van het Liberaal Vlaams Verbond. Ook met de vrijzinnige studentenvereniging 't Zal Wel Gaan had ze goede contacten. Toen ze in 1951 huwde en ambtenaar werd, leek dit echter het einde van haar politiek engagement in te luiden. Pas veertien jaar later, in 1965, werd ze opnieuw gecontacteerd door Willy De Clercq, die op zoek was naar een nieuwe voorzitster voor de juridische commissie van de PVV-Vrouwen, de opvolger van de in opgerichte 1921 Nationale Federatie voor Liberale Vrouwen. Deze vereniging had gedurende lange tijd een belangrijke emancipatorische rol in de liberale beweging gespeeld, maar had haar politieke weerbaarheid verloren. De Clercq schoof haar naar voren als een politiek combattieve vrouw met een Vlaamse reflex. Ze aanvaardde deze taak en leidde de commissie tot 1970. In Gent sloot ze zich intussen aan bij de Liberale Kring van de Heuvelpoort en in 1968 werd ze bestuurslid van de PVV-Vrouwen van Groot-Gent. Samen met haar echtgenoot engageerde ze zich in de lokale liberale volksvereniging Help U Zelf.

Intussen werd ze steeds actiever in de nationale politiek. In 1968 vertegenwoordigde ze de PVV-Vrouwen op de eerste Staten-Generaal van de Vrouwen, waar de twintigste verjaardag van het vrouwenstemrecht werd gevierd. In haar toespraak benadrukte ze het belang van het onderwijs bij de verdere emancipatie van de vrouw. In september 1969 organiseerde ze in Gent een debat over de rol van de vrouw in het politieke leven en viseerde hierbij vooral de CVP en de Kerk, die ze beide beschouwde als de belangrijkste rem op de vrouwenemancipatie. In 1970 werd ze in opvolging van Jeanine Descamps verkozen tot voorzitster van de nationale federatie van PVV-Vrouwen. Op het nationaal congres van de PVV-Vrouwen in 1972 verdedigde ze het levensbeschouwelijk opengooien van de PVV, waardoor gedurende de voorbije tien jaar ook voor gelovigen ruimte was gecreŽerd binnen de partij. Ze deed er ook een ultieme oproep voor het unitarisme. Ze waarschuwde voor de nefaste gevolgen van een geregionaliseerde staat en voor een taalkundige splitsing van de grote liberale organisaties maar dit tij kon niet meer worden gekeerd. In 1976 verklaarde ze als voorzitster van de PVV-Vrouwen dat ze het voorbeeld van de intussen gesplitste partij niet wenste te volgen. Ze reorganiseerde de PVV-Vrouwen door meer bevoegdheden aan de taalgroepen toe te kennen, doch dit mislukte. De splitsing was onvermijdelijk en in 1978 richtte ze de Federatie van Vlaamse PVV-Vrouwen op, waarvan ze tot 1980 voorzitster en tot aan haar overlijden lid van het dagelijks bestuur bleef. Ter gelegenheid van haar huldiging als Vrouw van het Jaar op 17 juni 1990 vatte Guy Verhofstadt haar beleid als voorzitster van de PVV-Vrouwen dan ook terecht samen als de intrede van de vrouwen in de echte politiek. Intussen was ze ook betrokken geraakt in de algemene strijd voor de vrouwenemancipatie. In 1973 en 1974 maakte ze deel uit van de Belgische delegatie in de Commissie voor het Statuut van de Vrouw binnen de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, waar het huwelijksrecht de belangrijkste discussiestof leverde. Terug in BelgiŽ werd ze een ardente voorstander van het wetsvoorstel tot hervorming van het huwelijksgoederenrecht, ingediend door Herman De Croo, August De Winter en Marie-ThťrŤse Godinache.

Lucienne Herman-MichielsensGedurende dertig jaar was ze ook lid van het nationaal bestuur van de PVV. Ze werd lid van het partijbureau in 1966 en op het stichtingscongres van de Vlaamse PVV in 1972 te Blankenberge zat ze de Commissie Statuut van de Vrouw en Abortus voor. Haar aanzien binnen de partij nam toe en van 1973 tot 1977 was ze samen met Herman De Croo ondervoorzitter van de PVV. Tot 1991 bleef ze lid van het partijbureau, waar ze een heel nauwe relatie opbouwde met Guy Verhofstadt.

In 1970 stapte ze de actieve politiek in en stelde zich kandidaat voor de Gentse gemeenteraadsverkiezingen. Onder de vleugels van Leon De Meyer kwam ze op de kieslijst terecht en werd verkozen. Ze werd herkozen in 1976 en als lijstduwer in 1982. In 1988 stelde ze zich niet langer verkiesbaar. Haar entree in de nationale politiek verliep minder vlot. In 1968 had ze met de steun van de Gentse PVV-Vrouwen voor het eerst geprobeerd om een plaats op de senaatslijst te krijgen, maar dit was mislukt. In 1971 en 1974 haalde ze wel de lijst maar raakte niet verkozen. Op 11 mei 1977 werd ze uiteindelijk gecoŲpteerd als senator, een mandaat dat ze tot 24 november 1991 behield. In 1983 volgde ze haar mentor Herman Vanderpoorten op als fractievoorzitter.

Haar werk in de Senaat bestreek vele terreinen: het wetsvoorstel op het gezamenlijk belasten van de samenwonenden, het voorstel tot oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie betreffende de werking van de ziekenfondsen, de wetgeving op de OCMW's, de reglementering van de klinische biologie, de harmonisering van de pensioenregelingen, de wetten op de bescherming van de persoon van de geesteszieke, de wetten op adoptie en afstamming, het erfrecht van de langstlevende echtgenoot alsook de staatshervorming, waar ze vooral een bemiddelende rol op zich nam zonder te willen raken aan een aantal Vlaamse verworvenheden zoals de taalgrens of de rand rond Brussel. Een heel belangrijk aandachtspunt voor Herman-Michielsens was de grondwettelijke erkenning van de vrijzinnigheid, wat ze beschouwde als een vorm van elementaire rechtvaardigheid die volledig kaderde binnen de geest van het Cultuurpact. De CVP bleef echter dwarsliggen in het dossier en het voorstel raakte niet voorbij de parlementaire commissie. Ze voerde evenwel een aanhoudende campagne om de erkenning te bekomen maar het zou tot 1993 duren voor het parlement, op voorstel van haar vriend Roger Lallemand, het licht op groen zette voor de desbetreffende grondwetsherziening.

Gedurende een heel korte periode kreeg ze ook regeringsverantwoordelijkheid. Van 18 mei tot 7 oktober 1980 was ze staatssecretaris van de Vlaamse Gemeenschap, bevoegd voor de werking van de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn, de teleonthaaldiensten, de integratie en het onthaal van migranten, het gehandicaptenbeleid, de jeugdbescherming, de sociale hulp aan (ex-)gedetineerden en de vorming in de peutertuinen. In die te korte periode slaagde ze er toch in om beleidsnotaís op te stellen over het migrantenbeleid en over het gehandicaptenbeleid en vond een beperkte hervorming van de jeugdbeschermingcomitťs plaats.

De abortusproblematiek was uiteraard het meest opvallende thema waarrond ze zich engageerde. Tijdens haar studies criminologie maakte ze voor het eerst kennis met de gevolgen van ongewenste zwangerschap. Als onderdeel van haar opleiding bracht ze een bezoek aan de autopsiezaal van het academisch ziekenhuis waar onder meer de slachtoffers lagen van de engeltjesmaaksters die de illegale abortussen uitvoerden. Doorheen de jaren groeide dan ook haar overtuiging dat een aantal wetswijzigingen noodzakelijk waren. Enkele punten waren hierbij voor haar fundamenteel. Eerst en vooral bleef een gelegaliseerde abortus in haar ogen beperkt tot een gerechtvaardigde noodoplossing in bepaalde omstandigheden. Haar bedoeling was dan ook het depenaliseren en het maatschappelijk aanvaardbaar maken van abortus indien deze aan bepaalde criteria voldeed. Ten tweede koppelde ze dit dossier aan een uitgebreide preventiepolitiek, inclusief een functionele voorlichtingscampagne en een liberalisering van de verkoop van voorbehoedsmiddelen. Een derde punt betrof het democratiseringsaspect. Een medisch begeleide en stilzwijgend geaccepteerde abortus was doorheen de tijd altijd een voorrecht geweest van de rijkere klassen, wat zich gedurende jaren uitte in trips naar Groot-BrittanniŽ waar abortus al geruime tijd uit de strafwet was gehaald of naar Nederland waar het werd gedoogd. Op het PVV-congres van 1972 stelde de commissie Statuut van de Vrouw en Abortus onder haar voorzitterschap een intussen klassieke lijst op van situaties waarin de liberalisering van abortus noodzakelijk zou zijn en hoe de procedure zou moeten verlopen. Als adjunct-kabinetschef van justitieminister Herman Vanderpoorten zette Herman-Michielsens in 1973 een volgende stap. Ze werd betrokken bij de voorbereiding van een reeks wetsvoorstellen, onder meer over de vrije verkoop van anticonceptiva, de gelijkheid van man en vrouw binnen het huwelijk, de strafbaarheid van overspel en de versoepeling van de echtscheidingsprocedure, en abortus. Datzelfde jaar werd een eerste succes geboekt toen de vrije verkoop van anticonceptiva onder bepaalde voorwaarden werd toegestaan. In 1978 diende ze als senator een eerste voorstel tot herziening van de abortuswet in, waarin ze depenalisering voorstelde indien een arts de abortus op fysische of psychische gronden kon motiveren. Er werd geen parlementaire meerderheid gevonden voor dit voorstel maar de praktijk veranderde intussen zeer snel. Meer en meer Belgische ziekenhuizen en geneesheren gaven toe regelmatig abortussen uit te voeren en de medisch begeleide zwangerschapsafbreking in eigen land begon de uitstapjes naar Nederland of Engeland overbodig te maken. De voorstanders van de legalisering van abortus stichtten intussen ook meerdere informatiecentra en verenigingen. Herman-Michielsens was onder meer actief in het Brusselse Centrum voor Verantwoord Ouderschap, waar ze in het bestuur zetelde met onder meer de politici Lydia Depauw-Deveen, Marijke Van Hemeldonck en Karel Poma, en de academici Hein Picard en Jean-Jacques Amy. 1985 werd uiteindelijk het jaar van de grote doorbraak. Doorgedreven overleg met Roger Lallemand, op dat moment de leidende figuur op dit terrein bij de Franstalige socialisten, leverde een voorstel op dat voor liberalen en socialisten perfect aanvaardbaar bleek. Op 6 maart 1986 werd het in de Senaat ingediend en op 6 november 1989 goedgekeurd; de Kamer volgde op 29 maart 1990 en op 3 april 1990 werd de wet ondanks een mini-koningskwestie bekrachtigd. Lucienne Herman-Michielsens bleef nog senator tot het einde van 1991, waarna ze om gezondheidsredenen ontslag nam.

Tegen het einde van de jaren tachtig bereikte ze het hoogtepunt van haar publieke bekendheid en haar politieke betekenis. Ze ontving meerdere prijzen en werd door feministisch en vrijzinnig Vlaanderen gevierd. In 1989 werd ze op voorstel van de Franstalige sectie van de Nationale Vrouwenraad verkozen tot Vrouw van het Jaar. Dit werd onder meer gevierd met een academische zitting te Gent waar Leon De Meyer, Emile Flamant, Jean-Jacques Amy, Edith Devriendt, Willy Bultereys en Guy Verhofstadt een laudatio uitspraken. Nog datzelfde jaar kozen de lezers van de tijdschriften Knack, Humo en Panorama/De Post haar tot Man (of Vrouw) van het Jaar. In 1991 ontving ze de vijfde driejaarlijkse Geuzenprijs en de tweejaarlijkse Prijs Vrijzinnig Humanisme van het Humanistisch Verbond. Haar gezondheid had haar echter al een tijdje in de steek gelaten. Reeds tijdens de laatste fase van het abortusdebat was ze zwaar ziek door de gevolgen van diabetes. Na de goedkeuring van de abortuswet kreeg ze bovendien een lichte trombose, waarna ze in 1991 samen met haar echtgenoot besliste op pensioen te gaan en naar Knokke-Heist te verhuizen. Lucienne Herman-Michielsens overleed te Gent op 22 januari 1995.



Bart D'hondt

Over de rol van Lucienne Herman-Michielsens in de nationale en internationale vrouwenbeweging, publiceerde het Liberaal Archief:
B. D'hondt, Gelijke rechten, gelijke plichten. Een portret van vijf liberale vrouwen.