terug naar alfabetisch overzicht
Marthe BOËL-DE KERCHOVE DE DENTERGHEM


Marthe de Kerchove de Denterghem werd geboren te Gent op 3 juli 1877 in één van de belangrijkste liberale families van het land. Ze was de derde dochter van graaf Oswald de Kerchove de Denterghem, liberaal senator en latere gouverneur van Henegouwen, en Maria Lippens, dochter van de liberale Moerbeekse burgemeester August Lippens. Maria’s broer, Hippolyte Lippens, was gehuwd met de zus van Oswald de Kerchove en volgde in 1882 zijn schoonvader, Charles de Kerchove, op als burgemeester van Gent. Marthe de Kerchove studeerde in Gent en Parijs, waar ze in 1895 het brevet supérieur haalde. In 1898 huwde ze baron Pol Boël, directeur van de Usines Gustave Boël te La Louvière.

Aangemoedigd door zowel haar familie als haar schoonfamilie engageerde ze zich na haar huwelijk in verschillende liefdadige verenigingen die actief waren in de verpauperde streek rond La Louvière en in 1913 verenigde ze de echtgenotes van de liberale notabelen uit de regio in de Cercle des Dames Libérales. Haar interesse beperkte zich echter niet tot de caritatieve sector. Met haar vader als belangrijkste leermeester richtte ze haar aandacht ook op de politiek en meer specifiek op de positie van de vrouw. Via hem maakte ze ook kennis met de nog jonge Belgische vrouwenbeweging, waarbij ze in contact kwam met onder meer Hélène Goblet d’Alviella en Jane Brigode. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd ze ambulancier voor het Rode Kruis en vervoegde ze de Union patriotique des femmes belges, geleid door Jane Brigode. Na korte tijd kwam ze in het verzet terecht. Ze organiseerde samen met haar echtgenoot een illegaal postcircuit voor o.m. soldaten aan de IJzerlinie en vluchtelingen in Nederland, en werd zo een contactpersoon tussen hen en het thuisfront. In oktober 1916 werd echter één van de koeriers gearresteerd, waarna ook Marthe Boël en haar echtgenoot werden opgepakt. Het krijgsgerecht te Charleroi velde zware straffen. Ze kwam in de gevangenis van Siegburg terecht, waar zich reeds een aantal politieke gevangenen bevonden, onder wie prinses Marie de Croÿ, met wie ze een levenslange vriendschap zal onderhouden. Ze werd echter zwaar ziek en na inspanningen van de Belgische overheid in Frankrijk, werd ze in de herfst van 1917 vrijgelaten bij een gevangenenruil met Frau von Schnee, de echtgenote van de gouverneur van Duits Oost-Afrika die door de geallieerden was opgepakt. Marthe Boël kreeg van de Duitsers echter het verbod om naar België terug te keren en verbleef tijdens de rest van de oorlog in Gstaad (Zwitserland).

Na de oorlog zette ze haar caritatieve werk onmiddellijk voort maar het thema van de vrouwenemancipatie kwam een stuk hoger op haar agenda te staan. Als veelvuldig gedecoreerde oorlogsheldin en voormalige politieke gevangene behoorde ze intussen tot de selecte groep van vrouwen die een stem mochten uitbrengen voor het parlement. Dat sterkte haar meer dan ooit in haar streven naar de absolute gelijkheid tussen man en vrouw. Jane Brigode introduceerde haar in de Liberale Partij, waar ze in 1919 lid werd van de Commissie Vrouwenproblemen die onder het voorzitterschap van Paul-Emile Janson stond. De beslissing van de Liberale Partij om - tegen de adviezen van de studiecommissie in - haar steun aan het vrouwenstemrecht nog een tijd uit te stellen uit vrees voor een katholieke hegemonie, overtuigde haar echter van de noodzaak om buiten de traditionele partijen om, de nodige drukkingsgroepen uit te bouwen. Met de steun van gelijkgestemde liberalen zoals Adolphe Max, Paul Hymans en haar echtgenoot Pol Boël, organiseerde ze in 1920 samen met Jane Brigode het eerste Liberaal Vrouwencongres, dat grotendeels gewijd was aan het kiesrecht. Datzelfde jaar richtte ze, als experiment, te La Louvière de eerste afdeling van Liberale Vrouwen op binnen de lokale Association Libérale.

In 1921 richtte ze samen met Jane Brigode de Union des femmes liberales de l’arrondissement de Bruxelles op en twee jaar later stichtte ze samen met Alice De Keyser-Buysse en Jane Brigode de Nationale Federatie van Liberale Vrouwen, waarvan ze de eerste voorzitster werd. Deze nationale federatie stelde twee thema’s centraal: het bundelen van de politieke actie en het coördineren van de liefdadige werken. De politieke actie werd in 1925 verankerd in de Juridische Commissie die onder leiding kwam te staan van Georgette Ciselet en die zich het streven naar de juridische, sociale, economische en politieke gelijkheid tussen man en vrouw tot doel stelde. De organisatie van liefdadigheid kreeg haar vaste structuur in 1928 met de oprichting van het Secrétariat des Oeuvres Sociales (het latere Solidarité) onder leiding van Emilie Pecher. In 1932 werd Marthe Boël voorzitster van de Commissie Vrouwenkwesties van de Liberale Landsraad waar ze het juridische statuut van de vrouw op alle mogelijke terreinen poogde te verdedigen. Het vrouwenstemrecht werd op de Landsraad tot haar teleurstelling nogmaals weggewuifd.

In 1936 nam ze eerder verrassend ontslag als voorzitster van de Nationale Federatie van Liberale Vrouwen. Ze had haar blik gericht op een breder front om de strijd voor de vrouwenrechten over de partijgrenzen heen te voeren. In 1921 was ze immers bestuurslid geworden van de in 1905 door Marie Popelin opgerichte Nationale Vrouwenraad en in 1935 was ze Marguerite Van de Wiele opgevolgd als voorzitster. In de daaropvolgende jaren bouwde ze de Raad uit tot een organisatie die lokale en regionale vrouwenverenigingen van diverse strekkingen ondersteunde en coördineerde. In 1936 werd ze op het congres van Dubrovnik eveneens verkozen tot voorzitster van de Internationale Vrouwenraad. Net zoals bij de Nationale Vrouwenraad lag de nadruk hier op coördineren, begeleiden en ondersteunen. Marthe Boël werd beschouwd als de meest aangewezen persoon om het voorzitterschap waar te nemen gezien de internationale contacten die ze in de jaren dertig had kunnen uitbouwen. Net zoals ze de partijgrenzen had overstegen om de vrouwenemancipatie in België een nieuwe impuls te geven, dwong de internationale context in het Interbellum haar om ook de landsgrenzen achter zich te laten én om het specifieke thema van het feminisme te kaderen in een algemene strijd voor vrijheid en gelijkheid. Ze had terecht een groot gevaar gezien in de expansionistische politiek van nazi-Duitsland en richtte meerdere internationale commissies op met als doel de vrouwen te mobiliseren en bij de politiek verantwoordelijken aan te dringen de Duitse aspiraties een halt toe te roepen. Deze bezorgdheid werd gestimuleerd door haar rechtstreekse contacten met veel hoofdrolspelers uit deze periode van de geschiedenis. Sinds de jaren twintig ontving ze immers op het buitengoed van de familie Boël te Chenoy bij Brussel een schare van Belgische en buitenlandse intellectuelen, kunstenaars, politici en industriëlen. Ze werd hierin gestimuleerd door haar lidmaatschap van de Union belge pour la Société des Nations waarbinnen ze zeer goede contacten onderhield met onder meer Paul Hymans, Pierre Orts en Jules Destrée. Gedurende de jaren dertig bood ze op die manier een officieus gespreksforum aan waarop onder meer Brand Whitlock, Pétain, Balfour en Villiers aanwezig waren, maar ook figuren zoals von Ribbentrop, terwijl ze door haar broer Arthur de Kerchove, ambassadeur in Berlijn, uitgebreid op de hoogte was van de visie en het beleid van het Hitlerregime. De Volkenbond schakelde haar intussen rechtstreeks in en benoemde haar tot voorzitster van de Volkenbondcommissie voor vrouwenemancipatie en de rol van de vrouw op het internationale toneel.

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog trok ze zich vermoeid terug op haar buitenverblijf te Chenoy, waar haar zieke echtgenoot in juli 1941 overleed. Ze vermeed het om actief betrokken te raken in het verzet. Als afleiding concentreerde ze zich op een studieproject met betrekking tot de hervorming van het onderwijs. Haar rapporten zouden na de oorlog de kern van de onderwijsvoorstellen van de Liberale Partij vormen. Zich helemaal buitensluiten kon en wou ze echter niet. Toen de Université Libre de Bruxelles zich in november 1941 verplicht zag de deuren te sluiten, stelde ze het domein van Chenoy ter beschikking van de studenten en docenten. Door vergelijkbare situaties kwamen ook politici, ondernemers en financiers op haar buitenverblijf samen, waardoor ze de facto de gastvrouw werd van een informeel ontmoetingscentrum dat op het randje van de illegaliteit balanceerde, of er onopvallend overheen ging.

Na de oorlog nam ze haar taken weer op, maar keek, gezien haar leeftijd, uit naar opvolging. In 1947 nam ze ontslag als voorzitster van de Internationale Vrouwenraad en aanvaardde het erevoorzitterschap. Uit erkentelijkheid voor haar verwezenlijkingen vergaderde het Bureau van de Internationale Vrouwenraad nog tot 1953 regelmatig te Chenoy. Op het vrouwencongres te Athene in 1952 werd Marthe Boël uitgebreid gehuldigd. De Griekse overheid gaf heel uitzonderlijk de toestemming om de slotzitting te laten plaatsvinden op de Akropolis, waar Marthe Boël de Internationale Vrouwenraad voor het laatst toesprak vanuit het Parthenon, de tempel van de Griekse godin Pallas Athena. Een mooier symbool was nauwelijks denkbaar. In de Nationale Vrouwenraad bleef ze actief tot 1952. Ze werd dat jaar weliswaar herkozen tot voorzitster maar besloot de fakkel door te geven aan Magdeleine Leroy.

Het prestige dat ze intussen in binnen- en buitenland genoot, maakte een onopvallend afscheid van het publieke leven onmogelijk. De Liberale Partij bood haar in 1949 een senaatszetel aan, wat ze gezien haar leeftijd weigerde. Met veel genoegen aanvaardde ze - samen met Jane Brigode - in 1950 wel de eremedaille van de Liberale Partij die haar werd opgespeld door een duidelijk geëmotioneerde Roger Motz. Datzelfde jaar werd ze ook gehuldigd door de Belgische vrouwenorganisaties en ontving ze huldeblijken van de Belgische toppolitici uit alle partijen evenals van buitenlandse hoogwaardigheidsbekleders onder wie koningin Elizabeth van Groot-Brittannië en Eleanor Roosevelt, de weduwe van de Amerikaanse president Franklin Roosevelt.

Ze trok zich vervolgens terug op haar buitenverblijf waar ze een bloemlezing van haar belangrijkste artikels en toespraken samenstelde (1920-1950. Trente ans d'activité féminine. Extrait de discours et de messages, Parijs-Brussel, A l'enseigne du Chat qui pêche, 1950). Samen met Christiane Duchène schreef ze er eveneens het belangwekkende historisch overzicht Le féminisme en Belgique 1892-1914 (Brussel, Editions du Conseil national des femmes belges, 1955). Marthe Boël, door Paul-Henri Spaak nog omschreven als ‘notre seule Homme d'Etat’, overleed op 18 januari 1956.

Bart D'hondt

Over de rol van Marthe Boël in de nationale en internationale vrouwenbeweging, publiceerde het Liberaal Archief:
B. D'hondt, Gelijke rechten, gelijke plichten. Een portret van vijf liberale vrouwen.

Afbeelding: uit de medaillecollectie van het Liberaal Archief (nr. 418)

 





>