terug naar "Blauw in de grote Vlaamse steden ?"
terug naar alfabetisch overzicht

Jean-Baptiste MINNE-BARTH


Jean-Baptiste Minne werd geboren te Gent op 2 september 1796 als zoon van notaris en vrederechter François Minne. Reeds op jonge leeftijd ging hij aan de slag als hulpgriffier bij de Gentse rechtbank van koophandel. Bij de oprichting van de Gentse universiteit nam hij echter ontslag en ging opnieuw studeren. Hij beëindigde zijn rechtenstudies in 1820 en schreef zich in aan de balie, waar hij snel uitgroeide tot een gewaardeerd pleiter in handelszaken en lid werd van de tuchtraad van de Orde der Advocaten. Na zijn huwelijk met Justine Barth, werd haar familienaam toegevoegd aan zijn naam en stelde hij zich voor als Jean-Baptiste Minne-Barth.

Bij de Belgische onafhankelijkheid van 1830 koos hij resoluut de kant van het orangisme. In 1830 werd hij verkozen tot gemeenteraadslid voor de Société des Amis de l’Ordre et du Repos Public van Hippolyte Metdepenningen en ook buiten de politiek arena engageerde hij zich voor de orangistische zaak. In 1832 stond hij als advocaat (samen met onder meer Rolin, Van Huffel, Brebart en De Pauw) Metdepenningen bij voor de krijgsraad waar deze laatste beschuldigd werd van de organisatie van orangistische terreur en in 1833 was hij betrokken bij de poging om de paarden van de prins van Oranje terug te kopen van de Belgische staat.

De politieke situatie in Gent was intussen heel gespannen. Om de orangistische ‘dreiging’ te bezweren had de regering in 1831 de verkozen burgemeester Joseph Van Crombrugghe samen met zijn schepencollege geschorst en vervangen door een Commission de Sûreté Publique onder leiding van baron Charles Coppens. Enkele maanden later werd deze commissie ontbonden en kwam Van Crombrugghe terug aan de macht, tot 1833 weliswaar onder het toeziend oog van een militair bestuur dat de opdracht had gekregen het Gentse orangisme de kop in te drukken. De gemeenteraadsverkiezingen van juli 1836 dienden de situatie dan ook te normaliseren en terug een gewoon gemeentebestuur aan de macht te brengen. Dit liep echter op een sisser uit. De orangisten, waaronder Minne-Barth, werden met grote meerderheid herkozen en eisten het bestuur over de stad op. De herbenoeming van Van Crombrugghe leek voor iedereen, inclusief Leopold I, een evidentie te zijn, maar de druk die door de orangisten werd uitgeoefend om een radicaler figuur te benoemen, werd zo groot dat ook Van Crombrugghe in ongenade viel en de regering koos voor François Verhaeghe-De Naeyer, een van de weinige door de katholieken gesteunde orangisten. Minne-Barth werd met dezelfde pennenstreek aangeduid tot schepen. Verhaeghe weigerde echter de burgemeestersjerp te aanvaarden en de vier Gentse kandidaat-schepenen trokken naar de koning met een petitie om Van Crombrugghe dan toch maar tot burgemeester te benoemen, wat deze ronduit weigerde. Gent zat met andere woorden opnieuw in een patstelling.

De regering, die zich heel goed bewust was van het feit dat het hele land de situatie in Gent met argusogen volgde, voelde zich in het nauw gedreven en nam haar toevlucht tot onderhandelingen achter gesloten deuren met de voor haar aanvaardbare kandidaten. Tot grote ergernis van de orangisten, was het Minne-Barth die de regering uiteindelijk uit de brand hielp. Hij verklaarde het ambt van burgemeester te willen opnemen, mits de regering er een benoeming tot hoogleraar aan de Gentse universiteit aan verbond. Deze eis werd ingewilligd en in december 1836 konden de verkozenen de eed afleggen in de handen van waarnemend burgemeester Minne-Barth, een definitieve benoeming volgde pas in oktober 1837. Ook zijn benoeming aan de Gentse universiteit volgde zoals beloofd in 1837.

De omstandigheden waarin hij burgemeester was geworden, legden een loodzware hypotheek op zijn mandaat. De Gentse orangisten, die de gemeenteraad controleerden, namen volledig afstand van de ‘verrader’ Minne-Barth en voerden een dusdanige oppositie dat hij nooit aan besturen toekwam. De patriotten of katholieken, bij wie Minne-Barth vervolgens steun zocht, behandelden hem met het grootste wantrouwen gezien zijn nog steeds duidelijke orangistische sympathieën, zodat Minne-Barth tussen twee stoelen terecht kwam. De noodgreep van de regering had Gent formeel bekeken een reglementair gemeentebestuur opgeleverd, maar de facto een onmogelijke bestuurssituatie gecreëerd. Drie jaar later, in januari 1840, nam Minne-Barth ontslag als burgemeester en werd opgevolgd door de kandidaat van het eerste uur, Joseph Van Crombrugghe. In 1841 verliet hij ook de gemeenteraad.

Hij trok zich volledig terug uit de politiek en concentreerde zich op zijn juridische en academische loopbaan. In 1846 werd hij nog benoemd tot rector van de Gentse universiteit en op 17 februari 1851 overleed deze oud-burgemeester die er niet in geslaagd was ook maar enige stempel op de stad te drukken.

Bart D'hondt